Inhoud | Terug naar boven
Rouwverwerking van Kopenhagen
Verslag van het Energie Café debat van 26 januari 2010
Hoe zit het nu, met ‘Kopenhagen’ nog vers in het hoofd, met het beeld dat jonge mensen hebben van de energietoekomst? Hoe optimistisch of somber zijn ze over hun wereld, de energietransitie, de eventuele klimaatveranderingen, hun inschatting over de bereidheid van de burger/consument om het leefgedrag te veranderen, en wat denken ze over het vermogen van de diverse overheden om tot alomvattende en ook afdwingbare afspraken te komen die leiden tot zowel welvaartsgroei in nu nog arme landen als tot een wereldwijde CO2-reductie?
In de serie ‘Energiecafe’, waarin Shell jonge mensen uitnodigt om te debatteren over al deze onderwerpen, en dat op een steenkoude 26ste januari neerstreek in cafe Mammoni aan de Mariaplaats in Utrecht, ging het vooral over ‘Kopenhagen’. ‘Ben jij al hersteld van de kater van Kopenhagen’, luidde de werktitel. En het leek daarom ook wel een beetje op een rouwverwerking.
‘Voorgangers’ in het door BNR Nieuwsradio journaliste Frederique de Jong gepresenteerde debat waren twee vrouwen die elk in Kopenhagen aanwezig waren, Heleen de Coninck, groepsleider energie- en klimaatbeleid bij het ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland), en afgelopen najaar nog gepromoveerd op een proefschrift over de vraag of op technologische vernieuwing gebaseerde klimaatverdragen een antwoord kunnen geven op klimaatverandering (antwoord: ‘ja’), en Michaela Hogenboom, jongerenvertegenwoordiger Duurzame Ontwikkeling bij de Verenigde Naties.
De Coninck als de rationalist en Hogenboom als de idealist die vindt dat Nederland moet optreden als gidsland en dus best energie- en klimaatdoelstellingen in het Regeerakkoord mag opnemen die ver uitstijgen boven wat er in internationaal verband, zoals de EU, gevraagd wordt van de lidstaten. Met, zoals uit de discussie duidelijk werd, elk hun aanhang in de zaal.
Moreel gelijk
Terugkijkend kon Heleen de Coninck niet anders dan constateren dat Kopenhagen mislukt is. Iets wat ze overigens vooraf ook al had vermoed dat zou gaan gebeuren. In een eerder in NRC Handelsblad gepubliceerde analyse schreef ze: “Het belangrijkste argument om klimaatverandering te voorkomen is dat op de lange termijn de kosten van het aanpakken van klimaatverandering vele malen lager zijn dan de uiteindelijke baten. Die kosten-batenanalyse verandert echter als je hem op landenniveau uitvoert en op de korte termijn betrekt. Landen als de VS verdienen weinig aan het voorkomen van een veranderend klimaat, maar maken hoge kosten als ze de emissies fors zouden reduceren.
De diepe emissiereducties die de VS zou moeten doorvoeren vergen niets minder dan een energierevolutie en een enorme structuurverandering in het heersende economische systeem. Voor veel ontwikkelingslanden geldt het omgekeerde; ze zijn kwetsbaar voor klimaatverandering maar stoten zelf nauwelijks broeikasgassen uit. Wat er normaal gebeurt in zo’n situatie is dat de ‘slachtoffers’ (de kwetsbare ontwikkelingslanden) de ‘daders’ (de geindustrialiseerde landen) met morele druk proberen te overtuigen, met financiele compensatie proberen over te halen, of met machtsmiddelen dwingen om emissies te reduceren. Maar deze kwetsbare landen hebben niet de middelen om te compenseren en niet de macht om te dwingen. De enige overgebleven optie is de morele druk.” De krant zette er de juiste kop boven: ‘Moreel gelijk levert klimaat niets op.’
Braafste jongetje
In de wereldvisie van Michaela Hogenboom (“Duurzame ontwikkeling moet een integraal onderdeel gaan vormen van de lesstof op middelbare scholen, niet als vak, maar het moet worden verwerkt in alle lesstof”, vertelde ze in Utrecht) past echter juist wel dat ‘morele gelijk’. Zij beoordeelt doelstellingen als van de Nederlandse overheid, die soms aanzienlijk verder gaan dan wat bijvoorbeeld de EU aan de leden oplegt, als ’statements’. Michaela: “Nederland moet niet het braafste jongetje van de klas willen zijn? Ik vind dat we die rol juist wel moeten vervullen. Als de EU 20% CO2-reductie vraagt en Nederland gaat op min 30% zitten dan ben je daarmee gidsland en kun je elders medestanders gaan zoeken.”
Braafste jongetje
Dat Nederland op deze manier al tientallen jaren ‘gidsland’ is bij ontwikkelingshulp laat zien dat navolging in elk geval niet automatisch volgt.
Vanuit de zaal werden vraagtekens gezet bij het aspect van ‘braafste jongetje’; bijvoorbeeld door HP Calis, een gasconversietechnoloog bij Shell. “Als een van de rijkere landen in Europa is Nederland het wel aan zijn stand verplicht om in elk geval in de kopgroep mee te doen”, erkende hij, “want CO2-reductie kost geld, en 30% reductie kost zelfs heel erg veel geld. Ik denk dat het verstandiger zou zijn als Nederland niet uit de pas gaat lopen met Europa. Het geld dat we op deze manier niet hoeven uit te geven kunnen we dan gebruiken voor technologieontwikkeling, waarna we die technologie aan andere landen kunnen aanbieden. Dat zou een slimmere oplossing zijn.”
Overigens is ‘min 30% in 2020’ hard op weg een schim van de realiteit te worden. John Kerkhoven, de geestelijke vader van het Energietransitiemodel van adviesbureau Quintel merkte vanuit de zaal van Mammoni op: “Juist ECN heeft recentelijk doorgerekend dat het, bij bestaand beleid, eerder plus 20% wordt. Sinds het ijkjaar 1990 is onze economie gegroeid, met meer CO2-emissie en sinds 2008 wordt gebouwd aan een reeks nieuwe kolen- en gasgestookte elektriciteitscentrales. Het is belangrijk dat de overheid dit aan de bevolking gaat uitleggen. Dan moet men of met een plan komen om heel erg hard aan het werk te gaan, of men moet vertellen dat het klimaatprobleem eigenlijk helemaal niet zo groot is.”
Michaela Hogenboom: “Het vertelt mij in elk geval dat er nog heel veel werk aan de winkel is. Dit roept juist om actie, en dan niet alleen door de politiek.”
Hebt u interesse in het bijwonen van en/of bijdragen aan de volgende debatten in de reeks Energie Cafe (jongeren) en Energy Square (alle leefijden)? Data en plaats kunt u vinden op de website www.energysquare.nl
- opent in een nieuw venster
FOTO’S: ERNST BODE

