Inhoud | Terug naar boven
De race in 2011
De race: Wat voor een wagens doen er mee, hoe veilig is het en hoe wordt er eigenlijk gemeten?
Shell daagt deelnemers aan de Shell Eco-marathon uit om voertuigen te ontwerpen die met een gemiddelde snelheid van 25 of 30 km per uur zo ver mogelijk kunnen rijden op één liter brandstof. Dat mag op benzine, diesel, Gas-to-Liquid (GTL), biobrandstof, waterstof of zonne-energie. Het doel van de competitie is niet om snelheidsrecords te breken, maar om zo zuinig mogelijk te rijden. De Shell Eco-marathon verwelkomt elk jaar talentvolle jongeren van universiteiten en instellingen voor technisch en wetenschappelijk onderwijs uit heel Europa.
Diverse klassen voertuigen
De competitie definieert twee klassen voertuigen: UrbanConcept en Prototypes.
Urban Concept: In de klasse UrbanConcept rijden vierwielers die meer op de auto’s van nu lijken. In principe kunnen deze concepten met kleine ingrepen zo de weg op. De Haagse Hogeschool heeft de afgelopen drie jaar een podiumplaats veroverd. In 2009 behaalden ze met 804 km op omgerekend 1 liter benzine de tweede plaats.
De UrbanConcept-wagens rijden acht rondes met een gemiddelde snelheid van 25 kilometer per uur. Elke ronde is 3,2 kilometer, in totaal leggen de voertuigen 22,2 kilometer af.
Prototypes: De voertuigen in Prototypes zijn futuristisch en gestroomlijnd, zij bepalen al jaren het beeld van de Eco-marathon. Het absolute record staat op 3836 kilometer op 1 liter benzine.
Dit record is in handen van een Zwitsers team. Het beste Nederlandse resultaat is van het Eco-Runner Team Delft (TU Delft). In 2008 reden zij 2282 kilometer met hun voertuig op waterstof. De Prototypes rijden acht rondes met een gemiddelde snelheid van 30 kilometer per uur. In totaal leggen zij 25,5 kilometer af. Om de situatie van een ‘stadsauto’ na te bootsen is er in iedere ronde een ‘stop & go-moment’ ingebouwd. Elk team mag vier pogingen wagen.
Veiligheidskeuring
Op het Eurospeedway circuit van Lausitz in Duitsland ondergaan de voertuigen voorafgaand aan de race een veiligheidskeuring. Er wordt gekeken naar de robuustheid van het voertuig, de remmen, het zicht van de bestuurder, de sterkte van de veiligheidsgordels, ontsnappingsmogelijkheden uit het voertuig en de aanwezigheid van een brandblusser. Na goedkeuring kan het team de baan op.
Meten is weten: Wie rijdt er het zuinigst?
De zogenaamde 'Fuel marshalls’, meestal Shell-vrijwilligers, meten het brandstofverbruik. Bij vloeibare brandstoffen worden hele kleine tanks gebruikt variërend van 30 tot 350 cm3. Na afloop van de race worden de tankjes afgevuld om te bepalen hoeveel brandstof het team tijdens de rit heeft verbruikt. Het is dus geen kwestie van zoveel mogelijk rondjes rijden tot de brandstof op is. Het gaat steeds om het brandstofverbruik in een aantal rondes binnen een vastgestelde tijd. Hierna wordt het verbruik gemeten en omgerekend naar een equivalent van 1 liter benzine.
Het verbruik aan waterstof wordt bepaald met behulp van een mass flow-meter. Het volume van de hoeveelheid verbruikte waterstofgas wordt hierna omgerekend naar verbruik als ware het Euro 95. Het energieverbruik van de zonnecelauto’s wordt bepaald met behulp van joule-meters. De wagen krijgt dertig minuten de tijd om de batterij op te laden aan de zon. De waardering vindt daarna plaats als functie van de energieconsumptie gemeten door de joule meter.

