“Als onderzoeksteam hebben we de afgelopen vijftien jaar heel wat geluksmomenten meegemaakt. Het heeft ons een schat aan nieuwe informatie opgeleverd over de persoon Van Gogh, zijn werkwijze, zijn technieken en materialen, maar ook inzichten gegeven over de manier waarop deze schilderijen te restaureren zijn en te conserveren voor de toekomst.”

In 1999 legde Shell voor het eerst contact met het Van Gogh Museum, dat openstond voor samenwerking op het gebied van materiaaltechnisch onderzoek. Het ‘Van Gogh’ had al een research band met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE); 

zo ontstond een sterk nieuw driemanschap. Partners  in Science was geboren. Aanvankelijk richtte het onderzoek zich op het ondersteunen van de restaurator door technisch-wetenschappelijke informatie te verschaffen over het ‘binnenste’ van de schilderijen. Met deze kennis was de restaurator beter in staat schilderijen te restaureren en conserveren.

Het RCE nam minuscule verfmonsters van de doeken en onderzocht die eerst met een geavanceerde, optische microscoop. Als de monsters veelbelovend materiaal bevatten, zette de analytische afdeling van Shell Technology Centre Amsterdam (STCA) 

het onderzoek voort. Dankzij Shells ‘state of the art’ apparatuur konden de onderzoekers hier een nog gedetailleerder beeld krijgen van de chemische samenstelling van de pigmentlagen.

Een belangrijke rol was daarbij weggelegd voor de SEM-EDX, een Scanning Elektronen Microscoop met Energie-dispersieve Röntgenspektroskopie. Ralph Haswell,  als onderzoeker van STCA betrokken bij Partners in Science, legt uit: “Met SEM-EDX kan je letterlijk op één pigmentdeeltje focussen, zodat je kunt zien uit welke chemische elementen dat deeltje bestaat.”

Al snel breidde het onderzoek zich verder uit.

De Partners in Science behaalden zoveel mooie resultaten dat steeds meer puzzelstukjes in elkaar vielen. Ook het Van Gogh Museum werd steeds enthousiaster en vroeg de lat hoger te leggen. Wat ertoe leidde dat STCA vanaf 2005 ook deelnam aan een breder, kunsthistorisch onderzoek naar de werkwijze van Van Gogh, in de context van zijn tijdgenoten.

Alle facetten van het artistieke proces zijn daarbij betrokken, zoals een betere datering van de schilderijen, maar ook hoe en wanneer hij bepaalde technieken gebruikte, met wie hij samenwerkte en door wie hij zich liet inspireren. Een onderzoek dat zeven jaar duurde, waarbij circa 150 werken van Van Gogh en tijdgenoten onder de loep zijn genomen.

De resultaten zijn ruim belicht tijdens de overzichts-tentoonstelling ‘Van Gogh aan het werk’ (2013). Hierbij presenteerde het Van Gogh Museum nieuwe, onverwachte inzichten op Van Goghs werkwijze. “De impact was veel groter dan we vooraf hadden verwacht”, vertellen Bouwman en Haswell. “Zo bleek Van Gogh helemaal niet die spontane schilder die alle professionals dachten dat hij was. Sterker nog, hij prepareerde alles met zorg, elke stap bereidde hij zeer zorgvuldig voor. Sterk bewijs hiervoor kwam naar voren na analyse van het schilderij Mand met Viooltjes.”

Ook was STCA betrokken bij de samenstelling van de tweede bestandscatalogus, over de periode Antwerpen–Parijs. “Van Gogh maakt in die periode een enorme ontwikkeling door, van de man met een donker en somber palet, naar de schilder met een licht en kleurrijk palet. Daar in Parijs gebeurt iets met hem.

Over deze periode is echter weinig documentatie beschikbaar, omdat de briefwisseling met zijn broer ontbreekt uit die tijd.” Naast de bestandscatalogus, verschijnen enkele wetenschappelijke publicaties en op een driedaags, internationaal symposium staat het gezamenlijke onderzoek uitgebreid in de schijnwerpers. De resultaten blijven ook bij Shell niet onopgemerkt; het researchprogramma wordt uitgebreid met het Mauritshuis in Den Haag.

Axel Ruger, directeur van het Van Gogh Museum, spreekt van een bijzondere samenwerking: “Door het natuurwetenschappelijk onderzoek hebben we veel nieuwe inzichten over de verf die Van Gogh heeft gebruikt en over zijn techniek. Dat is zeer waardevol bij restauratie van schilderijen en kwesties rond authenticiteit. Verder heeft het veel mooie publicaties opgeleverd.

Ook leverde het onderzoek belangrijke input voor de tentoonstelling over Van Goghs werkpraktijk, over het gebruik van alle materialen en over de verschillende pigmenten die hij toepaste.” Bij het grote publiek viel de tentoonstelling ook in goede aarde, het deel van de expositie over onderzoek en wetenschap kreeg grote belangstelling.

Volgens Ruger beschikt Shell over onderzoeksmethoden en technologieën waar ieder museum alleen maar van kan dromen. “Om die middelen ter beschikking te hebben, dat is geweldig. Bovendien heeft dat het Van Gogh Museum echt geholpen zich te profileren als kennis- en onderzoeksinstituut.” Ruger vindt het ook een heel bijzonder aspect van het partnerschap dat zoveel jaar kan worden samengewerkt, waardoor de partners elkaar beter leren kennen en elkaar versterken. “Juist die langdurige samenwerking is heel waardevol voor ons.”

Die bijzondere band was er niet direct vanaf dag één, geeft zowel Bouwman als Haswell aan. “Je hebt te maken met alfa- en bètamensen, die inhoudelijk moeten samenwerken, allen gespecialiseerd op hun eigen terrein. We hebben echt elkaars taal moeten leren spreken.” De toenadering is langzaam tot stand gekomen.

“Dat komt voort uit wederzijdse interesse en het erkennen van elkaars professionaliteit. We ontdekten wat we voor elkaar konden betekenen. De kunsthistorici begonnen op een bepaald moment in te zien wat je met een bepaalde techniek kon doen. En andersom, de technici raakten steeds meer betrokken bij het fenomeen Van Gogh. En toen kon het niet meer stuk: het werd echt een multidisciplinair team dat tot de dag van vandaag fantastisch heeft samengewerkt.”

Ook Haswell geniet nog steeds van zijn aandeel in het project. “Werken aan Van Gogh spreekt enorm tot de verbeelding. Zo was mijn oud-collega Kees Mensch na zijn pensionering nog tien jaar op vrijwillige basis betrokken bij het elektronen-micro-scopisch onderzoek. Normaal werken STCA-onderzoekers met strikte geheimhouding, maar dat geldt niet voor dit project, waarbij het juist wordt gestimuleerd om kennis en techniek met elkaar en de samenleving delen.

En zelfs om te publiceren over de onderzoeksresultaten.” Volgens de Britse onderzoeker zit de kracht van Partners in Science in de combinatie van meerdere disciplines. “Het is echt teamwerk, we zitten letterlijk met zijn tweeën achter de elektronenmicroscoop in het lab naar een monster te kijken. In de loop van het project kwamen we erachter dat we elkaar echt nodig hebben, ook bijvoorbeeld bij de interpretatie van de resultaten. 

Daarnaast daagt dit project je uit om out of the box te denken, om harder na te denken over bestaande technieken. Het dwingt je fris te kijken naar je vak en naar de voor- en nadelen van een techniek. Eén meettechniek is niet voldoende, de kracht zit hem in de combinatie, echt de multidisciplinaire aanpak.”

Het werk en de samenwerking met het Van Gogh Museum zijn nog niet afgerond. Momenteel werkt het onderzoeksteam aan de bestandscatalogus over de periode (na Parijs) in Arles, Saint-Rémy en Auvers-sur-Oise. Eind 2017 ronden de partners dit onderzoek af.

Het Van Gogh Museum memoreert in 2015 het 125e sterfjaar van Vincent van Gogh. Dit herdenkingsjaar is begin september bekroond met de opening van een nieuwe entreevleugel. 2015 is ook het jaar dat Shell en het Van Gogh Museum vijftien jaar samenwerking vieren als Partners in Science. 

Viooltjes onder de loep

Het is als een Nederlandse aflevering van CSI Van Gogh. Wat levert een materiaaltechnisch zoektocht op aan kennis over de schilder Vincent? Drie lessen over de Mand met Viooltjes (Parijs, 1887).

  1. Uit infrarood onderzoek bleek dat Van Gogh het doek al eens eerder had gebruikt. En, nog opmerkelijker, Vincent werkte met hulplijnen van een perspectiefraam dat hij vier jaar eerder zelf had gemaakt. Beginnende schilders gebruiken wel vaker hulplijnen voor een beter perspectief. Maar was Van Gogh zo onzeker of juist een perfectionist? Uit later onderzoek is gebleken dat Van Gogh helemaal niet die spontane schilder is waarvoor iedereen hem houdt.
  2. Ook bleek dat Van Gogh dit schilderij over een andere voorstelling heeft geschilderd. Om een egale ondergrond te hebben, dekte hij die voorstelling eerst af met een witte verflaag, een mengsel van zinkwit en loodwit. Daaroverheen schilderde hij ‘Mand met viooltjes’. Dat verklaart de sterke craquelures (kleine barstjes) in met name de paarse viooltjes.In de paarse verf zit een kleine hoeveelheid kobaltblauw verwerkt. Dat pigment staat bekend om de drogende invloed op mengsels met andere verf. Zinkwit droogt echter zeer langzaam. Deze combinatie van een snel drogende pigmentlaag over een langzaam drogende ondergrond, geeft grote spanningen waardoor craquelures ontstaan. Dankzij deze ontdekking heeft het Van Gogh Museum besloten dat dit schilderij nooit meer mag worden uitgeleend of vervoerd, het is te kwetsbaar.
  3. Bij het onderzoek is het doek voor het eerst uit de  lijst gehaald. Er verscheen een randje dat nog nooit eerder aan het daglicht was blootgesteld. Hierdoor werd duidelijk dat veel (organische) rode pigmenten uit het schilderij zijn verdwenen. Dit betekent dat het schilderij er eerst heel anders heeft uitgezien. Van Gogh geeft in die tijd in een brief aan zijn broer ook aan dat zijn ‘schilderijen verwelken als bloemen’. Deze informatie zegt wat over het schilderij en is ook nuttig bij de restauratie van het schilderij - en van eventuele andere werken waarin deze pigmenten voorkomen.

Meer over Over Ons