De werkkamer is net zo opgeruimd als haar karakter. “Nog drie dagen”, zegt Maria van der Hoeven met haar nooit weggesleten Limburgse tongval. “Nee, geen weemoed”, voegt ze er aan toe. “Dankbaarheid is het eerder. Het waren vier heel inspannende jaren maar ik kom hier met meer energie vandaan dan ik er in heb gestopt. Het maakt wel dat het vertrek me raakt.” 

De meervoudig minister heeft in haar rol als Executive Director van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) vier jaar lang intensief de wereld afgereisd. Ze sprak er tijdens ontelbare bijeenkomsten met bewindspersonen, beleidsmakers, wetenschappers, studenten, captains of industry en belangenbehartigers. Ze bezocht de meest onvoorstelbare projecten voor waterkracht, zonne-energie, de productie van vloeibaar aardgas LNG (Liquefied Natural Gas/red), plantages voor biobrandstoffen, enzovoort.

Al die ontmoetingen op al die bijzondere plekken hebben Van der Hoeven nog meer bewust gemaakt van het feit dat energie essentieel is. “Energie is de motor van ontwikkeling”, zegt ze. “Voor ons is een werkend lichtknopje zo vanzelfsprekend dat we niet meer stil staan bij het belang er van. Maar voor 1,1 miljard mensen op deze aarde ligt dat heel anders.

Die hebben geen licht, geen stroom voor een werkende operatiekamer, geen brandstof om producten mee naar de markt te brengen. Voor hen betekent energie de mogelijkheid ’s avonds te studeren en straatverlichting een oplossing voor onveiligheid in de woonomgeving. Die mensen willen energie en met de groei van zeven naar negen miljard mensen op deze aarde zal die vraag alleen maar toenemen. Zo basaal is het.”

Maar Van der Hoeven weet net zo zeker dat die groeiende energiebehoefte een keerzijde heeft. “Er is echt iets met de aarde aan de hand. We zullen moeten veranderen om het klimaat te beschermen. Als we de temperatuurstijging op maximaal twee graden willen houden, zullen we verdere stappen moeten zetten.”

De scheidend IEA-topvrouw weet echter ook dat dit niet gemakkelijk zal zijn. 

“Ook over dertig jaar zal het aandeel van fossiele energiedragers wereldwijd nog altijd op 65 procent liggen. Dat is geen onwil van één belanghebbende maar de optelsom van factoren en actoren. Niet voor niets richten we ons bij het IEA op drie elementen voor wat betreft energie: toegankelijkheid, betaalbaarheid en duurzaamheid.”

De complexiteit van het vraagstuk is voor Van der Hoeven geen reden tot somberheid. Integendeel. Het is voor haar een aansporing om wereldwijd gefundeerde afspraken te maken, waardoor zowel de vraag naar ‘lichtknopjes’ als het klimaat - probleem in samenhang aan te pakken zijn.

Uitgerekend twee maanden na haar vertrek van het IEA verzamelen al haar voormalige, relevante gesprekspartners zich in Parijs voor de grote, internationale klimaatconferentie COP21. “Als Executive Director van het IEA ben je nooit delegatielid op zo’n conferentie”, zegt ze, refererend aan eerdere klimaattoppen als Lima en Kopenhagen.

“Maar ik was er de afgelopen jaren natuurlijk wel bij in de wandelgangen en voor vergaderingen met politici, andere beleidsmakers en bedrijven. Dat zal dit jaar niet anders zijn. De fascinatie voor energie en de complexiteit van het vraagstuk hebben me gegrepen. Dat laat mij niet zo maar los. En omgekeerd, laat ik het onderwerp ook niet meer los.”

Wat mogen we van COP21 verwachten?

“Ik ben optimistisch. Daar heb ik een paar redenen voor. Ten eerste is gevoel voor urgentie groter en breder dan bij voorgaande klimaatconferenties. Dat moet helpen bij het nemen van moeilijke beslissingen. Ten tweede bespeur ik een trend waarbij meerdere partijen bereid zijn met elkaar zaken te doen. Het akkoord tussen de Verenigde Staten en China over CO2-uitstoot is daar een voorbeeld van. 

En in de wandelgangen van de top in Lima bespeurde ik al de wil van partijen om over de eigen grenzen heen te stappen op zoek naar werkbare afspraken. Lima was wat dat betreft al een stap op weg naar Parijs. Die wil om samen te kijken naar de verdere levenshorizon van de wereld is bij alle partijen toegenomen. Dat is goed en noodzakelijk.”

Toch wordt de klimaattop van Lima niet als een groot succes gezien. Wat moet Parijs brengen om wel succesvol te zijn?

“Als IEA hebben we eerder dit jaar een aantal aanbevelingen gedaan. Aan de basis daarvan ligt de constatering dat het maken van afspraken over algemene energie- en klimaatdoelstellingen altijd hand in hand moet gaan met een controle op de resultaten. Je moet meten, vastleggen en analyseren om te kunnen zien wat de gevolgen van beleid zijn.

Zonder die controle zijn doelstellingen prachtig maar niet werkzaam. Een organisatie als het IEA zou bij die controle een rol kunnen spelen. We hebben bewezen data te kunnen verzamelen, we hebben het analytisch vermogen om met die data iets te doen en we zijn internationaal verbonden met alle partijen en landen die er toe doen.“

Controle is essentieel voor succes maar het gaat eerst om een praktische vertaling van algemene doelstellingen naar tastbare maatregelen. Welke maatregelen zouden genomen moeten worden?

“Laat ik vijf hele specifieke aanbevelingen noemen die we afgelopen jaar als IEA in de aanloop naar COP21 hebben geformuleerd. Als eerste moet er een algemene prijs komen op de uitstoot van CO2. Als tweede moet de energie-efficiency omhoog in de industrie,

in het transport en in de bebouwde omgeving. En als derde moeten we als wereld stoppen met het bouwen van kolencentrales. Althans, met het bouwen van centrales met verouderde technologie. 

Kolencentrales met de nieuwste technologie, die dus gereed zijn voor het afvangen en opslaan van CO2, mogen nog wel worden gebouwd. Ook moet er, en dat is vier, een eind komen aan subsidies op fossiele brandstoffen. En tot slot moet de hele oliewereld stoppen met de uitstoot van methaan en met het affakkelen daarvan.”

Dat klinkt stevig, maar is het ook haalbaar? Neem bijvoorbeeld de beprijzing van co2. Daar wordt al heel lang en weinig succesvol mee geëxperimenteerd.

“Dat klopt, maar dat doet niets af aan de noodzaak. Het maakt mij niet uit op welke systematiek straks de keus valt, als het maar tot echte resultaten leidt. Controleerbare resultaten, zeg ik dan maar. Ik vergelijk het CO2-verhaal wat dat betreft met de problematiek van de zure regen eind jaren tachtig, begin jaren negentig. We hebben destijds gemeenschappelijk geconstateerd dat we dat niet wilden. We hebben toen gemeenschappelijk acties bedacht en afgesproken. Als we nu gemeenschappelijk iets willen, kunnen we ook deze problematiek de wereld uit helpen.”

Dat doet het iea door bijvoorbeeld een stop te zetten op de bouw van kolencentrales met verouderde technologie. Maar hoe zal dat vallen in bijvoorbeeld india en china waar acuut elektriciteit nodig is en wel zo goedkoop mogelijk?

“Ik herken het beeld maar je moet het niet eendimensionaal zien. Ook in India en China ligt het gecompliceerder. In China is bijvoorbeeld milieu niet meteen het aandachtsgebied, maar luchtvervuiling en de kosten van de gezondheid zijn dat wel. Er valt dus resultaat te boeken, maar dan moet je wel mee willen denken in de lokale problematiek. Belangrijk is ook dat landen als China en India toegang krijgen tot de modernste technologie. Daarbij zal bijvoorbeeld ook de industrie een rol moeten spelen.”

Wie zal het voortouw moeten nemen bij het maken van dit soort afspraken?

“Daar kan ik heel duidelijk over zijn: de regeringsleiders. Zij moeten het noodzakelijke, wettelijke kader scheppen. Maar daarmee ben je niet klaar. Het is van groot belang dat ook alle andere betrokkenen zich committeren. Neem bijvoorbeeld de energiesector. De uitstoot van CO2  is voor 75 procent gerelateerd aan energie. Die sector, en dan met name de stroomproducenten, moet je dus in de besluitvorming aan je binden.”

Maar wil die industrie dat ook?

“Willen is niet langer het probleem. De tijd dat veel klimaatsceptici het hoogste woord hadden, ligt achter ons. De breed gedragen gedachte is nu dat we, als we op de huidige weg doorgaan met het klimaat, het niet redden. Dat zie je bijvoorbeeld ook terug in de voorstellen van de industrie bij de World Business Council for a Sustainable Development. Dat was vroeger wel anders. De wil is er nu wel.”

Er is een verschil tussen willen en kunnen. Het iea bepleit een volledig verbod op affakkelen bij de productie van olie? Mening olieconcern zal dat toch met argusogen bekijken …

“Dat is waar, maar het moet wel gebeuren. Dat is wat ons betreft echt een verantwoordelijkheid die de energiesector moet nemen. Begrijp me niet verkeerd, ik weet heus wel dat het erg lastig is. Uiteindelijk ligt de oplossing niet alleen bij de industrie. It takes two to tango. Je kunt het gewonnen bijproduct prima gebruiken maar er moet wel een markt voor zijn. Daar komen de regeringsleiders weer in beeld.”

Zal de huidige, lage olieprijs een nadelig effect hebben op de uitkomst van cop21?

“Dat hoop ik niet. Gelukkig is de een-op-een-relatie tussen olieprijs en milieumaatregelen minder duidelijk dan vroeger. Er zijn elementen bijgekomen, zoals het besef dat we echt iets moeten doen en dat de wereldbevolking echt groeit en steeds meer in steden gaat wonen. Dat maakt de relatie minder een-dimensionaal. Daar komt bij dat een lage olieprijs ook kansen biedt. Wereldwijd gaan jaarlijks 55 miljard dollar aan subsidie naar fossiele brandstoffen. Nu de prijs laag is, kunnen regeringen die subsidies gemakkelijker afbouwen. 

Gelukkig zie je dat ook gebeuren. Een lage olieprijs betekent ook een betere concurrentiepositie voor gas. Dat is op korte termijn toch de meest efficiënte manier om winst te behalen op het gebied van CO2-emissie.”

Wat voor specifieke bijdrage aan cop21 zou u vanuit nederland willen zien?

“Wat mij betreft zou dat een verplichting moeten zijn aan het project ROAD. In dat project gaat  CO2 van de kolencentrales in het Rotterdamse havengebied in lege gasvelden op de Noordzee.”

Tegenstanders zien echter niets in dat ccs-project. Voor hen is road een stuiptrekking van ‘fossiel’ daar waar alle aandacht naar ‘hernieuwbaar’ zou moeten gaan. Hoe realistisch is het doorgaan van road?

“Dat zou heel realistisch dienen te zijn. De volgorde der dingen is eerst minder CO2 produceren, dan kijken wat je nog nuttig met CO2 kunt doen en dan pas, als het dus niet anders kan, opslaan onder de grond. We hebben CCS als instrument nodig om de temperatuurstijging binnen de gewenste bandbreedte te houden. ROAD is wat dat betreft niet alleen een project in Nederland, maar het is ook een project met Europese importantie.”

Meer over Over Ons