thuis in 1930

Thuis in 1930

Sappelen, steun trekken, de lommerd: op het hoogtepunt van de malaise is een kwart van de beroepsbevolking werkloos. Het betekent een benard bestaan. Toch is in die crisisjaren niet alles kommer en kwel.

Door Monika Jak op 16 apr. 2020

Werkloze 'solliciteert' met zelfgemaakt reclamebord: ”Wie helpt mij aan werk, onverschillig wat. Ik ben bekend met banketbakken, en ben een beschaafd en goed verkoper.” Circa 1935, de Brink, Deventer.

“Als je voor een dubbeltje geboren bent, bereik je nooit een stuiver meer”, zingt Louis Davids. Als de ‘grote kleine man’ krijgt hij in de jaren 30 grote bekendheid als zanger. Dat van dat dubbeltje en die stuiver klopt wel. Aan het eind van de jaren 20 is Nederland ingedeeld in drie klassen: de sociale elite, de middenstand en het werkvolk. Doorgroei van de een naar de ander is zo goed als uitgesloten. Het verschil tussen stad en platteland is enorm.

Terwijl in Drenthe nog turf wordt gestoken, rijden in de stad de welgestelden in hun automobielen over de keien of eerste snelwegen. Even verderop staan steuntrekkers in de rij voor het stempellokaal. De beurskrach van 1929 in New York zorgt voor een wereldwijde economische crisis, maar evengoed brengen die jaren veel sociale, technische en infrastructurele vernieuwing. En in 1934 maakt de invoering van een vereenvoudigde spelling de mensch gelukkig eindelijk mens.

Op naar goed fatsoen

De grote steden bouwen en renoveren in rap tempo woningen. Dat is hard nodig. Veel arbeidershuizen in verpauperde volksbuurten tellen slechts één kamer waarin zich alles afspeelt: koken, eten, slapen, wassen én de stoelgang. En dat met gezinnen van makkelijk acht personen. Badkamers zijn er nog niet. Wekelijks gaat het hele gezin in de keuken in een zinken teil. Of je wast je aan de gootsteen en gaat eens per week naar het badhuis. Warm water in huis bestaat nog nauwelijks. Voor de was op maandag stook je water warm in een ketel op het fornuis of je haalt het bij de waterstoker of ‘water-en-vuurbaas’. Het warme water draag je zelf naar huis in emmers of houten tonnen. Voorzichtig, want anders mors je. Wel komt de gasgeiser of elektrische boiler –te koop of te huur –steeds meer binnen het bereik van middenstanders en arbeiders. Met huursystemen, tarieven, nieuwe soorten geisers, nachtstroomboilers en elkaars product zwartmakende reclames vechten de gasen elektriciteitsmaatschappijen om de gunst van de huisvrouw.

wasdag 1930
Wasdag op het Sint Antoniushofje aan de Warmoezierstraat in Rotterdam, 1930.

Electrische bakkie

Een soortgelijke strijd tussen gas en elektra draait om koken. Zeker vanuit de elektriciteitsmaatschappijen, die in de crisisjaren hun afzet naar de industrie zien dalen. Beide kanten tuigen grootschalige campagnes op richting de huisvrouw, met kookdemonstraties en cursussen. Ze prijzen elektrisch koken aan als makkelijker, aangenamer en vooral ‘zindelijker’ dan steenkool, turf of petroleum. Gas is ouderwets, elektrisch is modern. De maatschappijen zetten zelfs Louis Davids in. Op verzoek van de Provinciale Utrechtsche Electriciteitmaatschappij schrijft hij het lied ”Doe het electrisch”. Rijmen kan Davids: “De electriciteit is toch een boffie, electrisch zet ze nou je bakkie koffie.”

Om verbruik te stimuleren, bemoeien de Gemeente Electriciteitswerken van Amsterdam zich zelfs met het ontwerp en de productie van elektrische apparaten. Het eerste apparaat dat op grote schaal doordringt in het huishouden is het strijkijzer. Op de voet gevolgd door de stofzuiger, het straalkacheltje en komfoor, een elektrisch kookplaatje. Of en in welke mate het huis ‘electrisch’ is, heeft alles te maken met sociale klasse. Alleen de hogere klasse kan zich een elektrische wasmachine, vaatwasser en koelkast veroorloven.

‘Breek met de oude sleur'

Om woningen te verwarmen is de bevolking begin jaren 30 aangewezen op steenkool, hoewel lange tijd –met name door de crisis –hout en turf nog in trek zijn. De turfindustrie geniet in 1934 zelfs van een bescheiden opleving omdat het een crisisproduct wordt als onderdeel van de Landbouwcrisiswet. Maar in zo goed als elk huis staat een kolenkachel. Ben je in betere doen, dan heb je centrale verwarming. Dat wil zeggen: een kolenketel, bij voorkeur opgesteld in de kelder, die via leidingen en radiatoren zorgt dat de warmte alle vertrekken bereikt. Zo’n installatie scheelt in huishoudelijk personeel en is bovendien te combineren met warmwatervoorziening.

Een andere luxe optie is een gaskachel. Anders dan bij een kolenkachel kan je de warmte nauwkeuriger regelen, is het makkelijk te bedienen en ben je verlost was van alle troep en gedoe met kolen. Het gas is dan nog geen aardgas, maar steenkoolgas, afkomstig van particuliere of gemeentelijke gasfabrieken. Tot die tijd is dit voornamelijk in gebruik voor licht: voor straatlantaarns –de laatste lantaarnopsteker gaat in 1957 met pensioen –en licht voor fabrieken, kantoren, hotels en theaters. Om het gas voor thuis aan te prijzen, vertoont het gemeentelijk gasbedrijf van Amsterdam een reclamefilmpje in de bioscopen, met als uitsmijter: ‘Breek met de oude sleur, verwarm met gas uw interieur’. Verder is er nog de optie van elektrische verwarming. Omdat het op grotere schaal voor woningen duur is, blijft het bij de verkoop van losse straalkacheltjes, handig voor bijverwarming. In die jaren ontstaan ook de eerste systemen voor collectieve verwarming: blok-, wijk- en stadsverwarming.

De eerste ‘luchtgastvrouwen’ van de KLM.

Praktisch bouwen

Op één punt komen alle nieuwbouwwoningen in die periode overeen: ze zijn groter dan eerdere woningen. Dat is niet alleen nodig –zo is de opvatting van rijkswege –om sociale en hygiënische redenen, maar vooral om morele misstanden, zoals broertjes en zusjes die met elkaar op één kamer slapen, te voorkomen. Op diezelfde morele leest geschoeid zijn de tuindorpen en -wijken die verschijnen als alternatief voor de verpauperde arbeiderswoningen. Ze krijgen welbewust dorpse trekken. Dat draagt bij aan de vorming van een fatsoenlijk, burgerlijk karakter. Dus vooral geen kroeg of ander stedelijk vertier. Hoe duurder de woning, hoe meer ‘scheiding der woonfuncties’, zoals een ‘mooie’ kamer voor de visite en inderdaad aparte slaapkamers voor de ouders, jongens en meisjes.

Een ander voorbeeld van de nieuwe ideeën over comfort en hygiëne is de Bergpolderflat in Rotterdam, gebouwd in 1934. Het is de eerste galerijflat ter wereld en de eerste gebouwd met een staalskelet, toen een revolutionaire constructie. Het gebouw is hypermodern; architectuur is nu ook bereikbaar voor de gewone man. Door standaardisatie en prefabricage kunnen de huren laag blijven: tussen de ƒ26 en ƒ31 per maand voor een flat van vijftig vierkante meter mét badcel, plus ƒ6 voor centrale verwarming tijdens de wintermaanden. De bewoners krijgen alles wat oudere arbeiderswijken en -woningen niet hadden: licht, lucht en groen rond het huis. Het ‘nieuwe bouwen’ heette dat toen. Met moderne voorzieningen zoals centrale verwarming en het recht op een gratis emmer warm water per dag, af te halen bij de conciërge.

Omdat in de stad de nood het hoogst is, blijft de kwaliteit van woningen op het platteland tot ver na de Tweede Wereldoorlog op achterstand. Veel mensen wonen daar nog in negentiende-eeuwse huisjes met enkelsteens muren, bedsteden, een ‘tonnenprivaat’ buiten –dat wil zeggen dat men zijn behoefte doet boven een beerton, periodiek vervangen door een leeg exemplaar –en zonder stromend water.

Met originele details...

Het beroemdste huis uit die tijd is zonder twijfel het ‘jaren 30-huis’. De en suite deuren, erkers met glas-in-loodramen, robuuste degelijkheid, voor- en achtertuin en ruime kamers maken dit type woning ongekend populair. Tot op de dag van vandaag. Rond 1933 zijn het particuliere bouwers die dit type woningen bouwen. De grondprijzen zijn laag, net als de bouwkosten. Kopers zijn mensen uit de hoger opgeleide middenklasse die weinig last hebben van de economische malaise. Door de lage prijzen gaat hun koopkracht er alleen maar op vooruit. De (spaar)centen in stenen stoppen is een mooi alternatief voor de in puin liggende aandelenbeurs. Voor een fraaie twee-onder-eenkapwoning moet je ƒ5.000 neerleggen. De middeninkomens liggen in die jaren op ongeveer ƒ2.500 tot ƒ6.000, dus tel uit je winst.

snelweg 1930
Auto's op de nieuwe snelweg Amsterdam-Den Haag nabij Voorburg, deels klinkers en deels betonplaten, 1938.

Vervoer en vertier

In steeds meer huizen komt een vaste telefoonaansluiting. Een figuurlijke overbrugging van afstanden, maar ook letterlijk komt de Nederlander op plekken die voorheen onbereikbaar waren. Voor een deel is dat te danken aan de werkverschaffing. De overheid investeert in grote, infrastructurele projecten, zoals de aanleg van kanalen, bruggen en wegen. In 1933 verschijnt de eerste tweebaansweg, tussen Den Haag en Utrecht, Rijksweg 12. Kijk, zo kom je nog ‘ns ergens. De trein verbindt de grote steden, de tram de kleinere. Op het platteland zorgt een fijnmazig autobusnet dat elk dorp bereikbaar is. De motorfiets komt in zwang.

In 1939 rijden er ruim 65.000. Vervoersmiddel nummer één in die tijd is de fiets. Iedereen fietst, tot en met koningin Wilhelmina op haar omafiets. De kar getrokken door paard en soms nog hond, verdwijnt uit het straatbeeld. Groenteboeren, melkboeren, eierhandelaren, kolenboeren, kaasventers, kruideniers, petroleumventers, schoenlappers, poeliers, slagers, visventers en andere kleine ambachtslieden stappen over op fietskar of bedrijfswagen. Eind jaren 30 zijn er in Nederland ruim 100.000 personenauto’s en ruim 50.000 bedrijfswagens. De Nederlander kan inmiddels op allerlei manieren de paden op en de lanen in. Er tekent zich iets af wat lijkt op recreatie, met uitstapjes naar strand, bos of park. Kamperen, met de tent achter op de fiets, wint aan populariteit, net als sporten. Wie een redelijk inkomen heeft, gaat naar het theater en de bioscoop. Vertier brengt ook de radio, die definitief doorbreekt. In januari 1930 luisteren zo’n 140.000 luisteraars, waaronder kinderen omdat in dat jaar de schoolradio start. Een jaar later zijn dat er 430.000. Een toestel kost rond de ƒ175; voor de gewone man een tot twee maandsalarissen. Naar goed Hollands gebruikis er overheidsbemoeienis. Die controleertprogramma’s vóór uitzending. Als er een gevaar is voor aantasting van de goede zeden of openbare orde en veiligheid, gaat het feest niet door. ‘De bonte dinsdagavondtrein’ is gegarandeerd dolle pret voor honderdduizenden luisteraars.

Vrouwen in beweging

Wie ook niet stil zitten, zijn vrouwen. Ondanks pogingen vanuit kerk en staat hen te beteugelen, veranderen zij. Ze gaan naar school, aan het werk en verenigen zich in vrouwenclubs. Ze willen vooral modern zijn. Stijve, hooggesloten kleding maakt plaats voor een vrouwelijk silhouet. Brutaler, met meer zicht op hals, armen en benen. De moderne vrouw in film en in advertenties is zelfbewust, rookt elegant een sigaret en zit achter het stuur van een auto, al was het alleen maar om te laten zien dat autorijden 'oh zo gemakkelijk' is. Er ontstaan ‘vrouwenberoepen’: verpleegster, telefoniste, typiste en secretaresse. Of ‘luchtgastvrouw’, zoals de KLM in 1935 de eerste stewardessen noemt. Onder de bezielende leiding van de vrouwenverenigingen komen rationaliteit en efficiëntie het huishouden binnen en is de vrouw –als hoofd van de huishouding –steeds meer een manager. Een revolutie, want de combinatie ‘vrouw’ en ‘rationaliteit’ was voordien onbestaanbaar.

Meer Shell

Venster

Venster is het Nederlandstalige kwartaalmagazine van Shell Nederland. In dit nummer een interview met Shell-CEO Ben van Beurden en het varen op biobrandstof. 

75 jaar bevrijding

Vrijheid is geen vaststaand gegeven. Daarom viert Nederland 75 jaar na het einde van de Duitse bezetting nog altijd de bevrijding. De verhalen over wat was, helpen ons dat te herinneren.

Thuis in 1950

Als je de jaren 50 met je neus verkent, ruik je draadjesvlees, petroleum, boenwas, groene zeep en tabak. Uit de brievenbus hangt een touwtje, binnen tikt de klok. Nederland is overzichtelijk, het leven sober, de rollen verdeeld.

Onze geschiedenis

De wortels van Shell in Nederland gaan 130 jaar terug. Sindsdien is de roodgele schelp uitgegroeid tot een wereldspeler in de energiesector. De geschiedenis laat sporen na, waar ook ter wereld. Maar het hoofdkantoor stond toen, net als nu, in Den Haag.