Kantoorwerk met een oude computer

De bel en ik

Ik weet het nog precies. Het hoe, het wat en het wanneer.

Door Marcel Möring op 19 okt 2018

Seismisch onderzoek door de NAM

De Montessorischool in Enschede, vijfde klas: mijnheer Nussmeijer vertelt over het wonder dat ons land nog niet zo lang geleden ten deel is gevallen: Slochteren. Arm aan grondstoffen waren we, ontworsteld aan de zee, te groot voor het servet en te klein voor het tafellaken. En nu was daar ‘de bel’.

Ik weet nog in welk lokaal we zaten, ik weet dat het ochtend was. Lente, dacht ik. Voor het eerst voelde ik iets van nationale trots. Dat zal ook te maken hebben gehad met de geschiedenislessen die we dat jaar kregen, waarin we kennis maakten met Floris V, de tachtigjarige oorlog, Rembrandt en De Gouden Eeuw. Het verhaal was duidelijk: we hadden ons vrijgevochten van ‘de Spanjaard’, de grootste schilder in de geschiedenis hadden we voortgebracht, de wereldzeeën hadden we beheerst en nu waren we op de koop toe ook nog rijk en van niemand afhankelijk. Waarin een klein land groot kan zijn. Achteraf is het alsof die lessen bedoeld waren om ons, lagere schoolkinderen, te doordringen van de gedachte dat het veld van Slochteren de kroon was op de geschiedenis van Nederland, dat onaanzienlijke stukje klei aan de Noordzee, veroverd op het water, bedijkt, in cultuur gebracht, drooggemalen en bebouwd, verde­digd tegen storm en vloed. Nee, ik geloof niet dat een geheim chauvinistisch programma ten grondslag lag aan die lessen. In de vroege jaren zestig was het idee ‘Holland’ heel anders dan nu. Tot dat idee behoorde de vroege geschiedenis, maar ook de recente: het verzet tegen de Duitse bezetter (en de notie dat ons land grotendeels werd bevolkt door ‘goede vaderlanders’, iets waar toen weinig kanttekeningen bij werden geplaatst), dat we aan de wieg hadden gestaan van het grootste politieke project van die jaren, de Europese Gemeenschap; de radiotelescoop in Dwingeloo (destijds het belangrijkste astronomische instrument ter wereld); de zeesleepvaart (door Jan den Hartog verbeeld in ‘Hollands Glorie’); de Urenco in Almelo (onze unieke bijdrage aan de kernfysica); het Friese stamboekvee dat de wereld veroverde; en tenslotte ‘de bel’. Dat hele complex van verworvenheden, en ik geloof dat we Slochteren destijds ook zagen als iets dat ons min of meer toekwam, viel samen met het vooruitgangsideaal dat die tijd beheerste. Onze landbouwers produceerden meer per vierkante kilometer dan wie dan ook, onze koeien gaven meer en betere melk, de verzorgingsstaat voorzag ons van steun als we ziek, werkloos, arbeidsongeschikt of gepensioneerd raakten; we kookten en verwarmden schoon en efficiënt op gas, we waren gezonder en leefden langer en werden uiteindelijk zelfs het langste volk ter wereld. Alles werd beter door techniek. Of, zoals Shell- en NAM-man Gerrit Krol zou schrijven ‘De industrie geneest alle leed’.

'De industrie geneest alle leed'

Shell- en NAM-man Gerrit Krol

Het is makkelijk om naar die tijd te kijken en meewarig het hoofd te schudden. Het vooruitgangsgeloof is suspect geworden, de verzorgingsstaat is geprivatiseerd, de ideeën die we hadden over de wereld en waar het heen moet zijn verdampt. We zijn calculerende burgers geworden die proberen te overleven in de markteconomie en ons geloof in de technologie die ons heeft gebracht waar we zijn, is omgeslagen van hoop in wantrouwen. En toch, er zat iets in dat misschien naïeve vooruitgangsgeloof, in die hoop, in die beschei­den, want altijd nog calvinistische, trots.

Tien jaar na de geschiedenislessen op de lagere school zat ik op een krukje tussen grijsgemoffelde, meer dan manshoge carrousel­kasten in het hoofdkantoor van de NAM in Assen. Ik was ingehuurd om het puttenarchief te ordenen. Dat archief lag achter het kantoor van het afdelingssecretariaat, dat bestond uit twee jonge, blonde vrouwen die een paar weken na mijn komst mijmerden over de jongen die altijd enorme vliegers kwam oplaten op het veld naast het gebouw en die ze nooit meer zagen. Die jongen was ik, maar dat hield ik voor me. Het leek mij verstandig om niet door te gaan voor een soort hippie die met zelfbouw-vliegers in contact wilde komen ‘met de kosmos, weetjewel’. De bestuurbare vliegers die ik bouwde kwamen voort uit mijn interesse in techniek en hadden niets te maken met luchtfietserij, maar ik was er lang achter dat niemand dat echt serieus nam, zelfs niet toen ik er fototoestellen onder begon te hangen.

Vrouw doet kantoorwerk met een oude computer

Het was niet mijn eerste baantje bij de NAM. Eerder had ik op de computerafdeling gewerkt. De taakomschrijving was ‘Operator’. Het was de laagste vorm van bestaan in de IT-wereld en ik geloof dat die functie ook niet meer bestaat. Ik zat in de hoek van een tot vrieskou gekoelde ruimte en maakte prints van data die werden aangeleverd op grote magneetbanden. Het waren seismische gegevens die op ketting­papier werden afgedrukt, of, als de print het veld in moest of naar zee, op tyvek. Je had er niet veel hersens voor nodig en dat kwam goed uit, want ik studeerde nog en terwijl de printers zwoegden, zat ik achter mijn tafeltje Middelnederlandse literatuur te lezen: Karel ende Elegast, Floris ende Blancefloer, Mariken van Nieumeghen.

Op sommige dagen werkte ik mij door drie, vier van die oude teksten heen en als ik dan buiten kwam, waar de zon scheen en de zomerhitte drukkend en vochtig aanvoelde na een hele dag airconditioning, had ik moeite om over te schakelen op hedendaags Neder­lands. Het was een best baantje, al was het maar omdat ik op een paar minuten afstand woonde, in een parkachtig bungalowwijkje dat grotendeels werd bevolkt door Shell- en NAM-expats. Bijna iedereen in mijn omgeving zat in ‘de olie’ of had er gewerkt en in het weekeinde, als er werd geborreld, kwamen de verhalen over de tropen, tafel- en bedpoten die in bakjes water moesten tegen de termieten en noem maar op. Het was in die tijd alsof ik in een van de boeken van de door mij zeer bewonderde Gerrit Krol leefde. Krol zag ik overigens af en toe de afdeling binnenlopen met een stapel ponskaarten. Ik keek dan vanachter mijn rekken met magneetbanden hoe hij de kaarten inlas. Ik durfde hem niet aan te spreken.

Het ‘ordenen van het archief’ bleek een eufemisme van jewelste. In de afgelopen decennia was er nauwelijks iets aan ‘archief-hygiëne’ gedaan. Wat een klusje voor een werkstudent leek, werd een herstelproject dat bijna een jaar in beslag nam. Ik pakte alle mappen uit, werkte ze door, indexeerde ze en deelde ze opnieuw in. Er waren er bij met documenten uit de tijd van de Bataafsche Petroleummaatschappij en haar activiteiten in ‘ons Indië’. De oorlogsjaren doemden op in de vorm van opdrachten van de Duitse bezetter om putten te bepantseren. Er waren de eerste boringen op het continentaal plat. En er was natuurlijk de boortoren bij ’t Haantje (gasveld Sleen 2), die op een kwade middag weg was gezakt in de grond, met caravans en al. Dat laatste incident gebruikte ik later in mijn roman ‘Het Grote Verlangen’. Ik geloof dat de lezers het als fictie beschouwden.

Boortoren Groningen

Ik zat vaak weg te dromen bij die putten­dossiers en fantaseerde over de boortorens in de Noordzee, ik stelde me voor hoe het destijds toeging in Indië, ik las de verslagen van proefboringen alsof ze fictie waren. Ik was een aankomend schrijver en dichter en in mij, zoon van een werktuigbouwkundige, waren romantiek en technologie, alfa en bèta, een gelukkig huwelijk aangegaan. Toch is het nooit van een roman over de Nederlandse gaswinning gekomen. Daar heb ik wel eens spijt van. Behalve in de boeken van Gerrit Krol is dat onderwerp nauwelijks belicht. Krol zelf, programmeur en systeemontwerper, schreef vooral over de witteboordenkant van de industrie. Het is vreemd dat zo’n veel­betekenende periode nauwelijks weerslag heeft gehad op de Nederlandse kunst en cultuur. Maar misschien is dat wel typisch Nederlands.

Mijn tijd bij de NAM was een geschenk uit de hemel voor iemand die graag in de geschiedenis duikt en een verhaal aan de hand van verschillende bronnen wil reconstrueren. Wat ook hielp was het onbegrensde vertrouwen dat de NAM stelde in een twintigjarige die op geen enkele manier toegerust was voor deze taak. Toen ik voorstelde om duizenden stickers te drukken waarop de inhoud van de mappen (casing, piping, geologie, et cetera) kon worden aangegeven, zei de chef ‘Doe maar’. En toen ik een paar dagen later terugkwam om te zeggen dat het allemaal over moest omdat ik een onder­werp was vergeten, zei hij hetzelfde.

Toen ‘De bel van Slochteren’ een aantal jaren geleden werd toegevoegd aan de officiële canon van de vaderlandse geschiedenis kon niemand voorzien dat het Nederlandse gas op het punt stond verleden tijd te worden. Sinds de ontdekking, in 1959, was het alsof ‘het gas’ er altijd zou zijn. Misschien hebben wij daarom de gaswinst zo vrolijk uitgegeven, in tegenstelling tot de spaarzame Noren, die de baten uit olie­winning bijeen hebben gebracht in een fonds waarvan het rendement naar de schatkist gaat. Wij deden het anders, en verkeerd. Tot 1994 werd de opbrengst van Slochteren gebruikt om gaten in de begroting te stoppen en ‘leuke dingen voor de mensen te doen’, zoals dat in de jaren zestig en zeventig heette. Er werd een schijnwelvaart gecreëerd die snel uit de hand liep en onder economen het predicaat Dutch Disease verwierf. Dat was afgelopen in 1994, toen een deel (41,5 procent) van de gasbaten ging naar het Fonds Economische Structuurversterking (FES). In 2008 maakte die vaste afdracht plaats voor een variabele. In de praktijk krijgt de FES nu nog maar de helft en alsof dat nog niet genoeg is, is het fonds ook al gebruikt om ‘1 miljard aan lastenverlichting op de EU-begroting “voor te financieren”’, zoals een studie van de Nederlandse Bank dat met veel gevoel voor understatement noemt (De Nederlandse gasbaten en het begrotingsbeleid: theorie versus praktijk, Peter Wierts en Guido Schotten, De Nederlandse Bank NV, 2008).

Verhuisdozen inpakken

De overgang naar een gasloze toekomst zal groot zijn, vooral voor het Noorden dat zichzelf al voor de vondst van het gas zag als wingewest. Groningen en Drenthe waren van oudsher gebieden waar het een en ander te halen viel (en soms te brengen, vooral gevangenen en psychiatrisch patiënten), maar waar niemand dood gevonden wilde worden. Het wingewest-sentiment culmineerde in de jaren zeventig, toen het kabinet Den Uyl in het kader van de spreiding van rijksdiensten het hoofdkantoor van de PTT in de stad Groningen wilde plaatsen. Het werd een drama dat door noordelijke bestuurders The continuing story of Peyton Place noemden. De PTT verzette zich alsof het ging om een strafverhuizing naar Siberië en toen het na twintig jaar touwtrekken eindelijk zover was, had Groningen van de 5.000 toegezegde arbeidsplaatsen minder dan de helft gekregen en liet topman Dik Kamerleden voor overleg naar Groningen komen, terwijl hij met zakenrelaties afsprak op zijn kantoor in Den Haag. Naar het Noorden, dat was straf.

Wat nu, als er niets meer te winnen valt in het Noorden, als we alleen nog aardbevingen hebben en verzakte huizen in gebieden waar de krimp toch al in alle hevigheid toeslaat? Gaat het Noorden de kant op van die Engelse gebieden waar de mijnbouw heel lang alles domineerde en waar nu, na de sluitingen van de jaren tachtig, geen werk en geen toekomst meer is? Het wingewest-sentiment is sterk in het Noorden. Zo kwam er geen snelle treinverbinding naar Groningen, ondanks lang en hevig lobbyen van bestuurders, maar rijdt de nazaat van het Fyra-fiasco wel tussen Amsterdam en Breda. Blijkbaar was de FES-spaarpot daar niet voor bedoeld.

Niemand weet nog precies welk effect de gasloze tijd zal hebben op de Noordelijke economie. Volgens VNO-NCW Noord gaan er 20.000 banen verloren. Minimaal. In een gebied waar al sprake is van krimp kan dat verlies niet worden goedgemaakt.

Maar het gaat niet alleen om werkgelegen­heid. De effecten zullen groter zijn en verstrek­kender. Er is terecht veel kritiek op de NAM als het gaat om afhandeling van de bevingschade, maar er moet niet vergeten worden dat dat bedrijf in de afgelopen zestig jaar ook veel bij heeft gedragen aan de cultuur in het Noorden. Sportclubs, kunstenaars, gemeentelijke over­heden, ze konden altijd wel voor een bedragje aankloppen. De NAM deed zijn best om iets terug te geven aan het gebied waar werd verdiend. Ik heb zelf een aantal keren geld gekregen voor tentoonstellingen en kunst­projecten. En in tegenstelling tot de gemeente of de provincie hoefde de NAM nooit te weten waar het over ging en of eenbenige bromfietsers met rood haar wel tot de doelgroep behoorden. Er is onder de laatste kabinetten veel, heel veel geld uit de culturele sector verdwenen. Als de NAM en andere bedrijven ‘in het gas’ zich straks moeten terugtrekken, dan blijft er weinig over.

Als de kraan straks dichtgaat, verdwijnt er meer dan de hoorn des overvloeds die Slochteren heet. Er verdwijnt ook een cultuur. Dat is de gas-cultuur. En dan gaat het over de mensen die werkten in die sector, het gaat om de identiteit van een gebied, het gaat om wat het gas heeft betekent voor dorpen en steden, het landschap en individuen. Ik ben er zelf een van, hier waar ik woon, aan de rand van gasveld De Wijk. Misschien moet ik er toch maar eens een roman over schrijven.

Luchtfoto van Groningen gasveld productie locatie

Marcel Möring

Marcel Möring (Enschede, 1957) een veelbekroonde, Nederlandse auteur. Hij verhuisde aan het einde van de jaren zestig naar Drenthe, waar hij ondermeer enige tijd werkte bij NAM. Möring debuteerde in 1991 met het boek Mendel, waarvoor hij meteen de Lubberhuizen-prijs won voor het beste debuut. Marcel Möring woont en werkt in Drenthe.

Beeld: Shell historical heritage & archive, The Hague