In 1914 bouwt Shell het eerste laboratorium aan de noordkant van het IJ. Onderzoekers beoordelen de kwaliteit van ruwe olie die in Nederlands-Indië en op andere plaatsen wordt gewonnen. Vervolgens kijken de onderzoekers welke producten van de olie gemaakt kunnen worden, zoals bitumen, een belangrijk onderdeel van asfalt. Ook ontwikkelt men zogenoemde additieven die de efficiëntie en levensduur van motoren verbetert.

Het lab breidt in 1927 uit met onderzoek naar meststoffen, ureum, katalyse, alcoholen en ketonen uit aardolieproducten. Niet veel later start onderzoek naar zepen en landbouwchemicaliën. Ook komt er steeds meer aandacht voor de vertaling van de onderzoeksresultaten naar industriële toepassingen. Proeffabrieken worden gebouwd en Amsterdamse ingenieurs worden een onmisbare schakel tussen labonderzoek en ‘het veld’.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog neemt het onderzoekswerk tijdelijk af. Het lab gebruikt haar kennis in die jaren anders. Bijvoorbeeld om auto’s om te bouwen voor het gebruik van stadsgas als brandstof en onderzoek naar de verwerking van bloembollen tot eetbare producten. Of om kaarsen te maken van de paraffine die Shell nog heeft. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog nemen de investeringen in onderzoek enorm toe en gaan de ontwikkelingen op technologisch gebied razendsnel. Onderzoekers werken samen met universiteiten in Amsterdam en de, toen nog, Technische Hogeschool in Delft. Steeds meer afgestudeerden belanden in het lab.

Het onderzoek breidt uit naar bijvoorbeeld vergassing van steenkool en boorinstallaties op zee. In een motorlab worden proeven gedaan met smeermiddelen voor in benzinemotoren. Alle motoren staan begin jaren ’70 nog in één hal. “Je werd horendol van het lawaai en in de zomer was het snikheet daarbinnen”, aldus een werktuigbouwkundige uit die tijd. Na een moderniseringsslag zijn er aparte testruimtes, zodat de onderzoekers niet meer in de warmte en het lawaai van de motoren hoeven te staan. Digitalisering zorgt ervoor dat data gemakkelijk ingevoerd en verwerkt kan worden. Het motorlab verhuist in 2004 naar Hamburg.

Het Shell-lab bleek een kraamkamer van technologische hoogstandjes. Een voorbeeld hiervan is de gas-to-liquids (GTL) technologie. Dit is een technologie die in plaats van olie aardgas gebruikt om vloeibare producten te maken zoals brandstoffen voor (vracht-)auto’s met dieselmotoren of kerosine voor vliegtuigen. Maar ook grondstoffen voor alledaagse producten zoals wasmiddelen, cosmetica en kunststof. De kennis van en de ervaring met het GTL-proces kan nu een belangrijke rol spelen in de energietransitie, omdat de aardgas als grondstof vervangen kan worden door groene waterstof en kooldioxide (CO2).

Het technologiecentrum van nu heeft een duurzaam en innovatief karakter. Onderzoekers werken aan de ontwikkeling van schonere en efficiëntere producten en processen zodat Shell een actieve rol kan spelen in de energietransitie. Van waterstof tot batterijen, van elektrisch rijden tot aardwarmte. STCA-onderzoekers bekijken de mogelijkheden voor industrie en consument. De uitstoot van de industrie en Shells eigen fabrieken kan omlaag, bijvoorbeeld door middel van afvangen en ondergronds opslaan van CO2. Digitale technologieën zoals kunstmatige intelligentie worden gebruikt om bijvoorbeeld een storing te zien aankomen en voorkomen waardoor een fabriek niet stilgelegd hoeft te worden.

De meeste van de 1300 testinstallaties en proefopstellingen worden binnenshuis ontworpen, gebouwd en onderhouden. Dit maakt STCA uniek. De technieken die hiervoor gebruikt worden variëren van een draaibank uit 1948, ambachtelijk glasblazen tot ultramoderne 3D-printers.

Meer Shell

Shell Technology Centre Amsterdam (STCA)

Technologie-ontwikkeling is de kern van waar het in Shell Technology Centre Amsterdam (STCA) om draait. STCA is in meer dan 100 jaar uitgegroeid tot een toonaangevend instituut. Het is een van de drie grootste onderzoekscentra van Shell wereldwijd.

Onderzoek in STCA

Wat gebeurt er allemaal in STCA en welk soort onderzoek wordt hier uitgevoerd?