
Shell als start-up in 1890: het prille begin
Op zondag 15 juni 1890 reist ingenieur J.A. de Gelder van zijn woonhuis in Den Haag naar het Spui in Amsterdam. Daar vindt de oprichtingsvergadering plaats van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië (KNMEP). Onderweg kijkt de eerste directeur van het nieuwe bedrijf zijn ogen uit. Hij ziet een land dat kolkt van vernieuwingsdrift.
Tekst: Fanta Voogd. Beeld: Stadsarchief Amsterdam, Shell Historical Heritage & Archive.
De 49-jarige Johannes Arnoldus de Gelder (1841-1912) staat op een keerpunt in zijn leven. Hij kan terugzien op een indrukwekkende loopbaan in Nederlands-Indië. Als militair en daarna als hoofdingenieur Havenwerken in Batavia (Jakarta). Terug in Nederland had hij een aanbod afgewezen om minister van Koloniën te worden. Van 1884 tot 1886 bekleedde hij een invloedrijke positie als lid van de Raad van Nederlandsch-Indië. De volgende fase van zijn leven zal hij volledig wijden aan de ontwikkeling van de handel en nijverheid in de Oost. Met dat voornemen vertrekt hij naar de oprichtingsvergadering van het bedrijf met de wijdlopige naam.
Vanuit zijn woning in de nieuwe en deftige Haagse Archipelbuurt, neemt hij de paardentram naar Station Hollands Spoor. De tramlijn loopt pal langs zijn voordeur in de Celebesstraat (nummer 92). De Haagse paardentram was in 1864 de eerste paardentram in Nederland én België, doceert De Gelder in gedachte. En hoeveel geriefelijker was dit nieuwe vervoer over rails dan het hotsebotsen in een huurkoetsje.
Eerste geplaveide weg
Tijdens het kruisen van de Scheveningseweg kijkt hij rechts over zijn schouder zeewaarts. De Scheveningseweg markeert een veel oudere mijlpaal in de ontwikkeling van het verkeer. Deze kaarsrechte, door Constantijn Huygens ontworpen 'straatweg' (1665) geldt als de eerste geplaveide weg in Holland buiten de bebouwde kom. Het Nederland van de zeventiende eeuw staat in die jaren volop in de belangstelling. Pas in de negentiende eeuw raakt de term 'Gouden Eeuw' in zwang. Een benaming die past bij een tijd dat het in heel Europa bon ton was het nationale verleden te verheerlijken.
Als de tram langs het Huygenspark rijdt, ziet hij twee jonge heren een wedstrijdje hardrijden op hun tweewielers. Beiden zijn in het bezit van een safety bicycle, een uit Groot-Brittannië overgewaaide noviteit. De Gelder verbaast zich over de snelheid van zo'n rijwiel met kettingaandrijving. Naar men zegt, heb je op luchtbanden – een uitvinding (1888) van de Schot John Dunlop – nauwelijks last van hobbels. Wat moet dat heerlijk zijn, snel eigen vervoer, zonder de rompslomp die het bezit van paarden met zich meebrengt. Misschien moest hij het ook eens proberen.


Gietijzerfabriek
Met een scherp oog voor alles dat zijn ingenieurschap betreft, werpt hij in de Stationsstraat een blik op IJzergieterij en Machinefabriek 'De Prins van Oranje' aan zijn linkerhand. De fabriek heeft de afgelopen decennia een belangrijke impuls gegeven aan de introductie van gietijzer als bouwmateriaal. In heel het land heeft 'De Prins van Oranje' gietijzeren ophaalbruggen laten verrijzen. De koetsier brengt de paardentram tot stilstand op het Stationsplein, het eindpunt van de lijn.
De werkzaamheden aan het nieuwe Station Hollandsch Spoor vorderen gestaag. Het lijkt soms of heel het land op de schop gaat, stelt De Gelder tevreden vast. Het station van architect Dirk Margadant begint al de kenmerkende symmetrische vormen aan te nemen van diens neorenaissance-stijl. Nog een getuigenis van de heersende nostalgie naar het Nederland van rond 1600.
Trekvaarten
Het grootste deel van de treinreis naar Amsterdam leidt langs een andere herinnering aan de gloriejaren van weleer. Een belangrijk ijkpunt in de geschiedenis van het vervoer bovendien. In het midden van de zeventiende eeuw groeide er in Holland een netwerk van trekvaarten. Door paarden voortgetrokken trekschuiten verzorgden het (openbaar) vervoer tussen de steden. Snel ging het niet (hooguit 7 km/u), maar de diensten waren regelmatig en betrouwbaar. Goedkoper en comfortabeler ook dan het vervoer per koets over de nog onverharde wegen.
Ondanks de concurrentie van de spoorwegen zou de Leidse Trekvaart - die De Gelder langs het spoor aan zich voorbij ziet trekken - nog tot 1860 in gebruik blijven. De Haarlemmertrekvaart naar Amsterdam zelfs tot 1883. Vanaf Haarlem leidt zijn treinreis niet alleen langs de eerste trekvaart (1631) en over de eerste spoorlijn (1839) van Nederland, maar ook langs de eerste telegraaflijn (1845) en de eerste waterleiding (1853).
Stoomgemaal
Bij Halfweg vangt De Gelder in het voorbijgaan een glimp op van het onlangs vernieuwde stoomgemaal waarmee het Haarlemmermeer sinds 1852 wordt droog gehouden. Hij herinnert zich dat zijn vader hem – als jongetje in Assen – vertelde over de inpoldering. Een plan dat in 1641 al was gelanceerd door Jan Adriaenszoon Leeghwater, maar pas kon worden verwezenlijkt met de kracht van stoommachines.
Zou het kunnen dat Nederland, met de voltooiing van die ontzaglijke onderneming iets van zijn zeventiende-eeuwse durf heeft herwonnen? En dat daarmee het fundament is gelegd voor de economische, wetenschappelijke en technologische voorspoed van de afgelopen jaren? De toekomst zal het leren, besluit De Gelder zijn overpeinzing.
1890: een nieuw tijdperk
1890 was niet zomaar een jaar. Het zesdelige standaardwerk Geschiedenis van de techniek in Nederland, over de technologische ontwikkelingen in de negentiende eeuw, laat de eeuw eindigen in 1890, niet in 1900. De auteurs rechtvaardigen die keuze als volgt:
Overgang energiebronnen
1890 was het jaar dat de overgang van traditionele energiebronnen (menselijke en dierlijke, wind- en waterenergie) naar stoomkracht in Nederland was voltooid. Een nieuwe methode van energie-overdracht, elektriciteit, vond een reeks nieuwe toepassingen. De verbrandingsmotor en de elektromotor gingen gelijk op als nieuwe concurrent van de stoommachine.
Een Tweede Gouden Eeuw
De grootschalige gemechaniseerde productie kwam pas echt op gang. Ook het spoorwegennet was grotendeels aangelegd. Telefonie stond op doorbreken. Nieuwe uitvindingen als radiocommunicatie en cinema dienden zich aan. Rond 1890 brak een nieuwe periode aan. Een Belle Époque. Een Tweede Gouden Eeuw.

Westergasfabriek
Bij het naderen van de hoofdstad rijdt de trein rakelings langs de Westergasfabriek, de zeven jaar eerder geopende, grootste steenkolengasfabriek van Nederland. Dat zijn maatschappij in oprichting de concurrentie zal moeten aangaan met de lichtgasbranche was al eerder tot hem doorgedrongen.
Maar hier – in de schaduw van het gigantische complex – voelt De Gelder voor het eerst het ware gewicht van zijn missie. In vergelijking met de gashouders, kolenopslagplaatsen, zuiveringsinstallaties, watertoren en kantoorgebouwen, steekt de bedrijfsruimte van zijn nieuwe onderneming nietig af. Vooralsnog houdt zijn petroleummaatschappij kantoor bij hem thuis in de Haagse Celebesstraat.
Lichtgas en petroleumlampen
Eeuwenlang was kunstlicht in huis of op straat afkomstig van kaarsen, fakkels of (plantaardige) olielampen. In 1785 had Maastrichtenaar Jan Pieter Minckelers ontdekt dat je uit steenkool brandbaar gas kan winnen. Vanaf het begin van de nieuwe eeuw verrezen in Groot-Brittannië de eerste gasfabrieken. Nederland volgde vanaf 1826. In de volgende decennia werd dit lichtgas steeds belangrijker als brandstof voor straatverlichting in de steden. Hoewel ook het huishoudelijk gebruik groeide, bleef lichtgas nog lang een luxe product, alleen binnen het bereik van de stedelijke elite.
Tussen 1860 en 1870 werden de eerste petroleumlampen uit Groot-Brittannië geïmporteerd. In diezelfde jaren kwam in Europa de invoer van petroleum uit de Verenigde Staten op gang. Het woord petroleum ('rotsolie') werd in de negentiende eeuw zowel gebruikt voor wat nu aardolie of ruwe olie heet, als voor de uit aardolie gedestilleerde brandstof die we nu petroleum of kerosine noemen.
De goedkope petroleum en niet-walmende petroleumlampen namen in armere gezinnen in Nederland de rol over van vetkaarsen en ouderwetse olielampen. Een dankbaar alternatief bovendien voor hen die zich de dure gasverlichting niet konden veroorloven. Daarbij bracht de petroleumlamp straatverlichting binnen het bereik van plattelandsgemeenten. Petroleum groeide uit tot een veelbelovende brandstof. Ook in kachels en kooktoestellen. In essentie is de systeemstrijd tussen de gas- en petroleumlamp terug te voeren tot de broedertwist tussen de minerale brandstoffen steenkool en aardolie. Tussen beproefd en kansrijk.
Amsterdam Centraal Station
Bij aankomst op het nog maar net geopende Centraal Station vergaapt De Gelder zich aan de overkapping boven zijn hoofd, ontworpen door ingenieur Leonard Eijmer van de Staatsspoorwegen. Tegen de wil van architect Pierre Cuypers, die vreesde dat het 'reusachtig ijzeren gewelf’ - met een lengte van 306 meter destijds de langste stationskap ter wereld - zijn neogotische bouwwerk zou overschaduwen.
Over het Damrak wandelt De Gelder naar Hotel Krasnapolsky op de Dam. Tegen de stroom in van zijn geloofsgenoten, die op weg zijn naar avondmis in de ook al splinternieuwe Sint-Nicolaasbasiliek op de Prins Hendrikkade. Zelfs de oude moederkerk lijkt bevattelijk voor de heersende scheppingsdrang.
Tabaksplanter zag het licht
Aeilko Zijlker (1840-1890) was de zoon van een Groningse herenboer. Na een ongelukkige liefde vertrok hij op twintigjarige leeftijd naar Oost-Sumatra om daar tabaksplanter te worden. In 1880 dook hij een tabaksschuur in om te schuilen voor het onweer. Een van zijn mandoers (opzichters) was op hetzelfde idee gekomen.
De opzichter ontstak een fakkel, die een opvallend helder licht gaf. Hij vertelde Zijlker dat hij die had ingesmeerd met de substantie die ergens in de omgeving spontaan uit de bodem opborrelt. Behalve voor toortsen gebruikte de lokale bevolking de ruwe olie om hout te verduurzamen. Die informatie bracht Zijlker op het idee van oliewinning, waarvoor hij een concessie kreeg van de plaatselijke sultan.
Zijlker was een van de aanwezigen bij de oprichtingsvergadering van de nieuwe petroleummaatschappij KNMEP op 16 juni 1890 in Amsterdam. Op 26 december van dat jaar overleed hij tijdens een zakenreis in Singapore. Door zijn plotselinge dood moest iemand de leiding overnemen van de olieboringen op Sumatra. Ondanks zijn achtergrond als ingenieur en ruime werkervaring in Nederlands-Indië weigerde De Gelder dit, waarna August Kessler (1853-1900), een van de andere oprichters, naar Indië vertrok.
Kessler zette met succes de Sumatraanse oliewinning op poten. Bij terugkeer in Nederland in 1892 bepaalden de aandeelhouders dat hij samen met De Gelder het algemeen directeurschap op zich moest nemen. Maar de Gelder weigerde met zijn jongere compagnon op gelijke voet samen te werken en stapte op. Onder Kessler kwam het bedrijf tot bloei. Vooral na de ontdekking (1899) van de grote oliebron bij Perlak, in de provincie Atjeh, in het huidige Indonesië.

Elektrische booglampen bij Krasnapolsky
Vooraf heeft hij besloten om een overnachting vast te plakken aan zijn reisje naar Amsterdam. Om er zeker van te zijn dat hij de volgende ochtend op tijd is voor de oprichtingsvergadering. Maar hij wordt vooral getrokken door een van de grote wonderen van zijn tijd: elektrisch licht. Met het oog op de komende Amsterdamse Wereldtentoonstelling van 1883 heeft Hotel Krasnapolsky een serre laten bouwen, die bij de opening in 1881 met elektrische booglampen wordt verlicht. (Een booglamp functioneerde niet anders dan elektrisch booglassen ook nu nog doet.) Maar twee jaar later zou het licht in de wintertuin al van gloeilampen komen: het laatste, verfijnde snufje op het vlak van verlichting.
De Gelder wil de gelegenheid niet aan zich voorbij laten gaan deze kraamkamer van de elektrische binnenverlichting met zijn eigen ogen te aanschouwen. Voor het naar bed gaan drinkt hij een slaapmutsje onder de feeëriek verlichte dakconstructie van glas en smeedijzer. In tobberige gedachten verzonken. De petroleum die hij met zijn compagnons in Indië wil exploiteren zal niet alleen moeten wedijveren met lichtgas, maar ook met modern elektrisch licht. Het is nog volslagen ongewis welke verlichtingsmethode als winnaar uit de strijd zal komen.
Bell Telephoon Maatschappij
Maandagochtend 16 juni 1890. Een bewolkte dag en fris voor de tijd van het jaar. Maar het is droog en De Gelder neemt de benenwagen naar het vergaderlokaal op het Spui. Hooguit een kwartiertje. Hij steekt schuin de Dam over. Langs de Groote Club op de hoek van de Kalverstraat. Op 1 juni 1881 startte de Nederlandsche Bell-Telephoon Maatschappij hier de eerste telefooncentrale van Nederland.
De Gelder heeft de telefonische ontwikkelingen nadien op de voet gevolgd. Nog zo'n kansrijke elektromagnetische toepassing en een handige aanvulling op de mogelijkheden van telegrafie. Nadat hij het Koninklijk Paleis heeft gepasseerd, slaat hij linksaf de Nieuwezijds Voorburgwal op. Zes jaar geleden gedempt ten gunste van het almaar drukkere wegverkeer. Zelfs de middeleeuwse binnenstad van Amsterdam ontkomt niet aan de algehele vernieuwingsdrang.

La Rapide
De laatste duizend stappen van de wandeling dwalen zijn gedachten af naar de toekomst. Naar de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van vervoer en transport. Zijn fascinatie gaat vooral uit naar de verschillende automobiele rijtuigen. Zoals 'La Rapide', het paardloze stoomvoertuig van de Franse uitvinder Amédée Bollée (1881). Ook had hij gelezen over de 'Elektrowagen' (1888) van Maschinenfabrik A. Flocken in het Beierse Coburg.
Interessant is de recente voortgang omtrent de zogeheten Ottomotor, vernoemd naar de Duitse uitvinder Nicolaus Otto. Diens landgenoot Gottlieb Daimler had in 1885 een tweewieler, een zogenoemde 'Reitwagen', uitgerust met een Ottomotor. En het jaar daarop presenteerde hij zijn 'Motorkutsche' op vier wielen. Ook de driewielige 'Benz Patent-Motorwagen Nummer 3 ' (1986) van Carl Benz wordt aangedreven door zo'n Ottomotor.
Ottomotor
Een Ottomotor (een verbrandingsmotor, zeggen we nu) werd in die jaren ook 'petroleummotor' genoemd, maar liep op benzine. Benzine had geen beste naam. Het was een restproduct dat overbleef na de destillatie van aardolie tot petroleum. Door haar lichte ontvlambaarheid was ze ongeschikt als lampenolie. Levensgevaarlijk zelfs. Benzine werd alleen verkocht als vlekkenwater. Hoe gunstig zou het zijn als de Ottomotor een rage wordt, en de vraag naar benzine aanwakkert, speculeert De Gelder als hij gebouw De Eensgezindheid op het Spui (nu The American Book Center) binnenstapt.
Dit verhaal is een in scene gezette aanname van hoe Jan Arnold de Gelder in 1890 de reis naar de oprichtingsvergadering van de voorloper van het begin van Shell zou kunnen hebben beleefd. Na de oprichting was De Gelder twee jaar directeur van de KNMEP. In 1892 werd hij opgevolgd door August Kessler (1853-1900).