
135 jaar Shell: de mannen van het eerste uur
In iets meer dan zes maanden werd in 1890 een nieuw oliebedrijf uit de grond gestampt en naar de Amsterdamse effectenbeurs gebracht. Die start-up van toen op 16 juni 1890, koninklijk van geboorte, is de wereldspeler van nu: Shell. Wie waren de mannen – er waren geen vrouwen bij – die nieuw kapitaal wisten aan te boren om lampolie te vinden?
Tekst: Rosalie van Egmond, Rob van ’t Wel. Beeld: Shell Historical Heritage & Archive.
Het is een geschiedenis die bijna is verdwenen. Daar, waar nu het luxe warenhuis de Bijenkorf aan de noordzijde van de Amsterdamse Dam staat, stond tot 1903 de Beurs van Zocher. Het neoclassicistische, rechthoekige gebouw met de grote Ionische zuilen was tussen 1845 en 1903 het kloppend hart van de handel in van alles waarin te handelen valt, waaronder aandelen.
Op die verdwenen plek kreeg op 9 juli 1890 de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië een plaats tussen de honderden andere aandelen, obligaties en pandbrieven, die merendeels buitenlandse schuldpapieren zijn.
“Amsterdam financierde de wereld”, zegt Cherelt Kroeze, algemeen secretaris van Stichting Capital Amsterdam, belangenbehartiger van de openbare kapitaalmarkt in Nederland. “Amsterdam was vanaf de 17e eeuw de meest internationale kapitaalmarkt van de wereld.”
"Tweede Gouden Eeuw"
Daar komt vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw verandering in. Nederlandse bedrijven en overheden zoeken vers kapitaal en vinden dat in die Griekse tempel van de snel expanderende beurs in Amsterdam.
Kroeze noemt het “een tweede Gouden Eeuw”. Hij ziet drie oorzaken voor de jaarlijks tientallen nieuwkomers en hun noteringen. “De verlate industriële revolutie in Nederland, de afschaffing van het cultuurstelsel in het koloniale Nederlands-Indië en een snelle mechanisatie van het vervoer”, somt Kroeze op. “Ooit een westernfilm met John Wayne gezien in de buurt van een spoorlijn?”, vraagt hij. “Ga er dan maar van uit dat die trein daar reed met geld van de Amsterdamse beurs.”
Over de openingsfoto
Op de openingsfoto zie je Shell-station Van Tright Geervliet, circa 1960

Groeispurt
Die laat 19e eeuwse groeispurt van de Amsterdamse beurshandel laat zich gemakkelijk in cijfers vangen. In 1880 zijn er in totaal 365 verschillende noteringen te vinden. Twintig jaar later is het aantal bij de eeuwwisseling bijna verviervoudigd tot 1324. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog omvat het aantal noteringen 2487.
Een deel van de tweede Gouden Eeuw is toe te schrijven aan snel groeiende bedrijvigheid in Nederlands-Indië, de noteringen van 'Indische cultures', zeker in de laatste twee decennia tot aan 1900.
Oost-Sumatra
Daar, aan de andere kant van de wereld, liggen ook de wortels van wat in de loop van de jaren Koninklijke Olie is gaan heten en nu wereldwijd bekend staat als Shell. Daar, aan de kust van Oost-Sumatra, ontdekt Aeilko Zijlker in 1880 een soort ‘aardwas’ dat aan de oppervlakte van enkele op waterpoelen drijft.
De zoon van een vooraanstaande Groningse herenboer uit Nieuw-Beerta vertrok naar de kolonie om een mislukte liefde te vergeten en fortuin te verwerven. Hij zoekt in eerste instantie een nieuw bestaan in de plantagebouw. Maar als uit onderzoek blijkt dat de aardwas een hoog percentage lampolie bevat, gooit hij het roer om.
Geïnspireerd door een nog jonge en snel opkomende olie-industrie in de Verenigde Staten, kiest hij voor het bestaan als zelfstandig ondernemer in de petroleum. Met steun van investeerders in, toen nog, Batavia richt hij de Voorloopige Sumatra Petroleum Maatschappij op, met een kapitaal van 25.000 gulden. Het is het begin van tien jaar grote en kleine tegenslagen en successen.
Vrijwel ontgonnen gebied
De aanwezigheid van olie in het Indonesische eilandenrijk is al langer bekend. De commerciële uitbating ervan stelt het koloniale bestuur voor een nieuwe opgave. De bestaande wetgeving richt zich immers vooral op de productie van gewassen. De exploitatie van ondergronds rijkdommen is wetgevend een vrijwel ontgonnen gebied.
De zoektocht naar werkbare wetgeving is nog in volle gang als de Groningse pionier aan de slag gaat. Daarbij moet hij voor proefboringen een wettelijk beroep doen op ingenieurs van het Mijnwezen, in het bijzonder de dienst van het Grondpeilwezen. Daar zit wel de kennis maar, zo blijkt, niet het materieel. De zachtere aardlagen op Java zijn geen probleem, maar diepere boringen in de harde gesteenten van Sumatra zorgen voor aanhoudende kopzorgen.
Uitgerekend als de bodem van de bedrijfskas in zicht is, blijkt er commercieel winbare olie in de concessie in Oost-Sumatra aanwezig. Zijlker moet met dat goede nieuws op zoek naar vers kapitaal. Zijn financiële steunpilaren in Batavia zijn echter sceptisch, de ambtenarij van het Mijnwezen weigert zijn optimisme met feiten te staven. Zijlker moet terug naar Nederland voor geld en steun.
Koloniale kringen
Zonder geluk vaart niemand wel, ook doorzetter Zijlker niet. Op het schip dat hem naar Nederland brengt, zit ook mr. N.P. van den Berg, de zojuist afgetreden president van de Javasche Bank. De bankdirecteur is een invloedrijk man in koloniale kringen en op reis naar Amsterdam om er directeur van De Nederlandsche Bank te worden.
Van den Berg kent de struikelbaan die Zijlker al heeft afgelegd op weg naar een commercieel vatbaar oliebedrijf. Hij zegt tijdens de reis toe zich intensief te gaan bemoeien met het oprichten van een levensvatbare opvolger van de Voorloopige Sumatra Petroleum Maatschappij.
Hoewel hij later moet afzien van de beoogde functie als president-commissaris, helpt zijn status wel in het verkrijgen van het predicaat Koninklijke en het verzamelen van een selecte groep commissarissen. Beide prestaties zijn belangrijk. Het moet de buitenwacht vertrouwen geven in de per definitie risicovolle investering in een start-up in een jonge en dus onbekende bedrijfstak.
De eerste president-commissaris
Na het noodgedwongen afhaken van Van den Berg wordt Henry David Levyssohn Norman de eerste president-commissaris. De liberale politicus uit Rotterdam kan bogen op een respectabele loopbaan in het Indisch bestuur en is sinds twee jaar koloniaal woordvoerder van de liberalen in de Tweede Kamer.
Hij krijgt als medecommissarissen Gerard Coenraad Bernard Dunlop, Edouard Constatin Boissevain Daniëlszoon, Dirk Cordes, Derk de Ruiter Zijlker, Willem Jacob Hekmeyer, Geldolph Adriaan de Lange. Zij hebben allemaal hun eigen inbreng en belang. Dunlop vertegenwoordigd de belangen van de bankiers die de aandelenemissie voor hun rekening nemen en waarborgen. Hij deelt die achtergrond met zijn medecommissaris de Amsterdamse commissionair in effecten Boissevain.
What's in a name ...
Vanaf de start al koninklijk zijn. Dat is maar voor weinigen weggelegd. Althans voor mensen van vlees en bloed. Voor bedrijven en organisaties ligt dat anders. En als we een eeuw teruggaan in de tijd, ligt dat weer anders dan vandaag de dag.
Wie de geschiedenisboeken over de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië bestudeert, leest dat het de goede contacten in hogere kringen zijn die de start-up in het voorjaar het predicaat Koninklijke oplevert.
Bierbrouwerij
Wie echter de noteringslijst van de Amsterdamse effectenbeurs in 1890 opduikelt, stuit op een keur van destijds jonge bedrijven dat toch al Koninklijke in de naam heeft staan. Wat te denken bijvoorbeeld de Koninklijke Nederlandsche Beijersche Bierbrouwerij, waarin Gerard Aadriaan Heineken een belang had. Tegenwoordig kan het koninklijke keurmerk worden aangevraag door bedrijven en organisaties van goeder naam en faam, bij bijvoorbeeld een jubileum als 100 jaar, of in ieder geval een veelvoud van 25 jaar.
De eerste koning van Nederland
Kijkende naar de lange lijst beursgenoteerde en toch al koninklijke start-ups aan het einde van de 19e eeuw lag het toen heel anders. Het door Lodewijk Napoleon, de eerste koning van Nederland, in 1807 ingevoerde eretitel was in eerste instantie alleen voor culturele instellingen.
Na de terugkeer van de Oranjes in uiteindelijk 1815 verschoof de focus en kwamen bijvoorbeeld ook bedrijven in aanmerking. Koning Willem 1 had niet voor niets de bijnaam Koning-Koopman. En dus gingen economie en importantie voor een markt meewegen bij de toekenning.
Tweede helft 19e eeuw
De sterke toename van bedrijvigheid in de tweede helft van de 19e eeuw gaat daarom hand in hand met de beursnoteringen van koninklijke start-ups. De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië was er eentje van.

Een Tweede Kamerlid en een oud-militair
Derk Zijlker, Tweede Kamerlid en kantonrechter, vertegenwoordigt de belangen van zijn broer Aeilko, die voor zijn inspanningen en concessie op Sumatra 200 aandelen in de nieuwe onderneming plus 171.000 gulden krijgt toebedeeld. De Lange houdt de belangen van de oude Indische investeerders in de Voorloopige Sumatra Petroleum Maatschappij in de gaten.
Medecommissaris Cordes is voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken in Amsterdam. Hekmeyer, oud-militair en oud-chemicus is de technische man in de Raad. Hij onderzocht trouwens in Batavia de eerste monsters die Zijlker tien jaar eerder op Sumatra nam en naar Batavia stuurde.
20.000 euro per aandeel
De totale waarde van de nieuwe onderneming wordt op 1,3 miljoen gulden gesteld. Bij de start in 1890 worden er 1.300 aandelen van ieder 1.000 gulden uitgegeven. Of eigenlijk zijn het er 1.100, want 200 zijn op voorhand gereserveerd voor man van het eerste uur Zijlker. Van die resterende 1.100 aandelen zijn er ieder ruim 400 bij Dunlop en Boussevain neergelegd om op de markt aan de man te brengen.
In die dagen is 1.000 gulden per aandeel een heel serieus bedrag. Omgerekend naar bedragen van nu zou het een kleine 20.000 euro zijn. Desondanks is er volop belangstelling. De emissie is 4,5 keer overtekend.
Cherelt Kroeze van Stichting Capital Amsterdam is niet echt onder de indruk van de bedragen. “In datzelfde jaar 1890 zijn er in totaal 93 fondsen naar de beurs in Amsterdam gegaan”, aldus Kroeze. “De Koninklijke wijkt in dat jaar in niets af van de bulk van de nieuwe beursgangers. Maar de meeste namen zeggen ons nu niets meer omdat ze simpelweg niet meer bestaan. Niemand kon toen vermoeden dat de start-up van toen zou uitgroeien tot de wereldspeler van nu.”
Tegenslagen
Met een succesvolle start, de koninklijke goedkeuring en het vers kapitaal zet het jonge oliebedrijfje grote stappen. Maar het is niet uit de problemen. De overschrijving van de concessie van Zijlker naar de Koninklijke blijkt ingewikkelder dan gedacht. Maar dat komt eind van het jaar alsnog goed, enkele dagen voordat de Groningse oliepionier onverwacht in Singapore overlijdt.
Een ongeluk komt nooit alleen. Het starten van de productie gaat moeizaam. De verwerking van de olie door een nieuwe raffinaderij blijkt al even uitdagend. Dat geldt ook voor de productie van de verpakkingen waarin de petroleum naar de markt in Zuidoost-Azië gaat. Ook zijn pertoleumlampen aldaar ingesteld op Amerikaanse petroleum met een heel ander verbrandingspunt, waardoor ze geen goed licht geven. En er is de onvoorziene financiële last door de hoge voorraadkosten. Die zijn een gevolg van de Aziatische gewoonte om de leverancier (Koninklijke) pas te betalen als het product door de tussenhandelaar daadwerkelijk aan de klant is geleverd.


Stoutste dromen
Het jonge bedrijf overwint het allemaal maar het is wel een aanslag op zojuist verworven financiële reserves. Als na drie magere jaren de inkomsten toch stijgen, is het tijd om opnieuw vers kapitaal aan te boren. Dat lukt. Voor de eeuwwisseling van 1900 wordt 5 miljoen gulden opgehaald met de uitgifte van aandelen. In de jaren erna komt er, tot de bundeling van krachten met het Britse Shell, nog eens 34 miljoen gulden bij.
Alles bij elkaar vormen de 11 emissies het financiële fundament van de snelgroeiende onderneming. Samen leveren ze de zuurstof voor een groei van de activiteiten op meerdere plaatsen op de wereld. Samen zorgen ze ervoor dat het Koninklijke bedrijfje weet door te stoten tot de internationale top van de snel groeiende petroleumsector.
Zeventien jaar na de oprichting zet het bedrijf een echte groeisprong in door een innige samenwerking aan te gaan met het Britse branchegenoot en concurrent Shell Transport & Trading. In de jaren twintig van de nieuwe eeuw gaat het Nederlands/Britse samenwerkingsverband de Amerikaanse voorlopers voorbij. De Koninklijke/Shell groeit uit tot het grootste olieconcern van de wereld. Van de bouwers van het eerste uur zijn dan de stoutste dromen overtroffen.
Van Koninklijke naar Shell in 3 stappen
Het is een geschiedenis die 135 jaar oud is, en misschien zelfs iets ouder. Zeker is dat de oprichtingsbijeenkomst op maandag 16 juni 1890 in gebouw ‘De Eensgezindheid’ aan het Amsterdamse Spui het begin is van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië.
1. Bundeling van krachten in 1907
Na een aantal moeilijke jaren floreert het bedrijf dat al snel breder bekend zal worden onder de naam Koninklijke Olie. Met de wind in de zeilen maar de Amerikaanse concurrentie op de loer besluit het bedrijf in 1907 de krachten te bundelen met de Britse branchegenoot Shell Transport & Trading. Deze voormalige handelaar in Aziatische snuisterijen en schelpen. Is gaandeweg steeds meer betrokken geraakt in het transport en de handel van petroleum, dat boven alles voor verlichting wordt gebruikt.
De twee bedrijven besluiten ieder zelfstandig te blijven maar een gemeenschappelijk moederbedrijf te stichten: de Koninklijke/Shell Groep. In deze houdstermaatschappij heeft de Nederlandse Koninklijke 60% terwijl het Britse Shell 40% van de aandelen bezit. Beide moederbedrijven houden hun eigen aandelen en beursnoteringen.
2. Royal Dutch Shell in 2004
Deze samenwerkingsvorm houdt stand tot 2004. Na een vertrouwenscrisis over de gerapporteerde olie en gasreserves besluit het concern de structuur te unificeren. Dat wil zeggen dat de oude aandelen Koninklijke en Shell gaan verdwijnen, het hele bedrijf een vennootschap (PLC) naar Engels en Welsh recht wordt, met statutair hoofdkantoor in Den Haag. Royal Dutch Shell is geboren.
De pogingen om in het verlengde daarvan ook tot één aandeel te komen stranden op de verschillende fiscale behandeling ervan in Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Zo komen er a-noteringen (Nederland) en b-noteringen (Verenigd Koninkrijk) op verschillende beurzen.
3. Naar Londen als Shell Plc. in 2021
Voor een versimpeling van de bedrijfsstructuur, besluit het concern in 2021 het hoofdkantoor van Den Haag naar Londen te verplaatsen. De a- en b-aandelen verdwijnen en er kom voor het eerst na ruim 100 jaar één eigen aandeel. De naam is eentje die overal in de wereld bekend in de oren klinkt: Shell Plc.