Energietransitie

Energietransitie in coronatijden

De aanpak van het coronavirus is even noodzakelijk als kostbaar. Datzelfde geldt voor de overstap naar schonere vormen van energie. Zal de coronacrisis de energietransitie vertragen of versnellen? Drie meningen over hoe nu verder.

Door Erik te Roller op 09 jul. 2020

“Het is moeilijk te voorspellen hoe het precies verder zal gaan”, zegt Coby van der Linde, directeur van het Clingendael International Energy Programme (CIEP). “De eerste prioriteit van bedrijven is om op korte termijn te overleven. Grote bedrijven hebben genoeg managementcapaciteit om tegelijk door te gaan met plannen voor de energietransitie, maar kleine niet. Voor de overheid is het in standhouden van economie en werkgelegenheid belangrijk. Zij moet de balans vinden tussen crisisbeleid en klimaatbeleid. Het inrichten van een instrumentarium voor het stimuleren van de energietransitie zal wel doorlopen.”

Voorzitter van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI) Bernard Wientjes, constateert dat een deel van de chemiebedrijven in Nederland lijdt onder de coronacrisis en pas op de plaats maakt. “In een bedrijf is het heel normaal dat, als de omzet door ontwikkelingen van buitenaf inzakt, je even afwacht wat de gevolgen daarvan zijn, voordat je besluiten neemt over nieuwe investeringen.” Vanwege die onzekerheid heeft de branche­vereniging de regering gevraagd de CO2-heffing voor de industrie, die in 2021 zou ingaan, op belangrijke onderdelen aan te passen en de impact zeer zorgvuldig te wegen. “Een nationale heffing levert een groot risico op, omdat ze – zonder voldoende mitigerende maatregelen – de internatio­nale concurrentie­­positie van de bedrijven verslechtert, waarvan een groot deel al verzwakt is door de crisis”, verklaart Wientjes.

Dat neemt niet weg, dat de chemiesector vasthoudt aan zijn doelstelling voor 2030. “Als onderdeel van het Klimaatakkoord investeren we de komende jaren zo’n tien tot vijftien miljard euro om in 2030 met onze CO2-uitstoot 49% lager uit te komen dan in 1990, conform de kabinets­doelstelling voor heel Nederland. Daar is geen discussie over”, aldus Wientjes.

Klimaatcrisis

Om dat doel te behalen, is meer duurzame energie en infrastructuur nodig. “Maar door de forse daling van de olie- en gasprijzen lijken investeringen daarin op de korte termijn minder aantrekkelijk”, erkent André Faaij, wetenschappelijk directeur TNO Energy Transition en hoogleraar energie­systeemanalyse aan de Rijksuniversiteit Groningen. “Daar staat tegenover, dat de klimaatcrisis niet weg is. Het tegengaan van de opwarming van de atmosfeer blijft ongelofelijk belangrijk. Sterker nog, publieke en private investeringen in de energietransitie kunnen helpen om sneller uit de crisis te komen. Doordat ze voor bedrijvigheid en werkgelegenheid zorgen

in een sector die toekomst heeft”, stelt Faaij. Hij is een van de opstellers van het white paper van TNO, dat scenario’s beschrijft om te komen tot een klimaatneutrale energievoorziening in 2050. “Als we na de crisis terugvallen op business as usual en op de vertrouwde voet doorgaan met fossiele grondstoffen, dan lopen we met de energie­transitie een vertraging op van tien jaar. Dat is het nachtmerriescenario. Maar als we de energietransitie slim en kosten­effectief aanpakken, beschikken we na 2040 over een energievoorziening die tien miljard tot vijftien miljard euro per jaar goedkoper kan zijn dan bij business as usual.”

"Publieke en private investeringen kunnen helpen om sneller uit de crisis te komen"

Dat hangt samen met een besparing op de import van olie en gas. Volgens Faaij is het denkbaar dat de vraag naar energie in de wereld over enige jaren sneller stijgt dan het aanbod van energie uit olie en gas. Bij een achterblijvend aanbod van duurzame energie, kan de olieprijs dan weer stijgen tot boven de honderd dollar per vat. Bedenk hierbij, dat de Europese Unie nu al voor € 400 miljard per jaar fossiele brandstof importeert. “Om zo’n scenario te vermijden moeten we vaart maken met de energietransitie. Het tijdelijk inzakken van de markt voor fossiele grondstoffen biedt een goede gelegenheid om de kolen­centrales te sluiten en de raffinagesector te consolideren. Als na de coronacrisis de vraag naar energie weer toeneemt, is het erg verstandig die groei met nieuwe, schone capaciteit op te vangen. Op die manier kunnen we de energietransitie zelfs versnellen. Wel gaat de kost voor de baat uit: het opbouwen van een duurzaam energiesysteem vergt grote investeringen, maar die verdienen we later weer dubbel en dwars terug”, aldus Faaij.

Elektrisch kraken

De chemiebedrijven zijn nu echter terug­houdend met investeringen. Dat betekent niet dat ze stilzitten. Volgens Wientjes gaan ze volop door met het ontwikkelen van nieuwe duurzame processen, zoals het elektrisch kraken van nafta tot bouwstenen voor kunststoffen. “Dit is één van de veel­belovende ontwikkelingen, die zich nog in de laboratoria afspelen, maar over enige jaren grootschalig toepasbaar kunnen zijn”, aldus de VNCI-voorzitter.

Hij benadrukt, dat de energietransitie niet ten koste mag gaan van de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse chemiesector. “De regering heeft er bewust voor gekozen de CO2-uitstoot sneller te verminderen dan andere landen in Europa. Daar waren we aanvankelijk niet gelukkig mee. Maar de overheid komt ons tegemoet met de SDE++ regeling (Stimulerings­regeling Duurzame Energietransitie/red), zodat bedrijven die aanvankelijk duurder uit zijn met nieuwe CO2-vermijdende technologie of met CO2-opslag toch internationaal kunnen blijven concurreren. Voordeel is ook, dat de Nederlandse industrie hiermee een technologische voorsprong opbouwt.”

Van der Linde van het CIEP is het eens met het advies van de Taskforce Infrastructuur Klimaatakkoord aan de regering, dat de overheid al tijdens de crisis flink moet investeren in de aanleg van nieuwe infrastructuur voor transport van elektriciteit, in CO2-opslag en in de productie van waterstof. “Dan zal er na de coronacrisis voldoende infrastructuur zijn, waardoor de industrie geen excuus zal hebben om investeringen in duurzame technologie uit te stellen. Bovendien dragen de investeringen in infrastructuur bij aan het herstel van de economie.”

De overheid moet niet alleen investeren, maar ook de regie nemen, vindt hoogleraar Faaij. “Een duurzame energievoorziening vormt een complex systeem, dat je niet zomaar vanuit de markt opbouwt. Dit vraagt veel overleg en nauwe afstemming tussen aanbieders, transporteurs en afnemers van energie. Zie het toenemende aanbod van windstroom waarvoor de marktvraag moet mee­groeien, bijvoorbeeld door elektrificatie van industriële processen. De overheid kan dat proces sturen met wet- en regelgeving, aanbestedingen en een heffing op CO2-emissies. Verder kan zij, wanneer zij tijdens de crisis hulp biedt aan bijvoorbeeld de luchtvaart, eisen dat die met schonere producten komt of schonere brandstoffen inzet.”

Faaij pleit ook voor het grootschalig klimaatneutraal maken van woningen. “Denk aan 300.000 woningen per jaar. Als we doorbijten en slim renoveren, zullen we de renovatiekosten redelijk snel terugverdienen door lagere energiekosten en ook de waarde van de woningvoorraad verhogen. En we houden de vaklui in de bouw tijdens de crisis aan het werk.”

"Als we doorbijten en slim renoveren zullen we de renovatiekosten redelijk snel terugverdienen"

Grote kans

Volgens de hoogleraar heeft de proces­industrie geen andere keuze dan zichzelf te vernieuwen, omdat ze al op achterstand staat ten opzichte van de concurrentie in het Midden-Oosten en de Verenigde Staten, die over modernere fabrieken en eigen olie- en gasreserves beschikt. “Overgaan op nieuwe, duurzame productie­processen met inzet van groene stroom en biogrondstoffen, en met circulariteit als uitgangspunt levert ook een ander assortiment aan producten op, waarmee de procesindustrie internationaal beter zal kunnen concurreren. De omslag maken naar duurzame productie en tegelijk competitief blijven, dat is de uitdaging en tegelijk een grote kans. In een toekomst met CO2-prijzen en schaarsere grondstoffen biedt zo’n duurzame industrie structureel voordeel op.”

VNCI-voorzitter Wientjes gaat daarin mee. Hij is ervan overtuigd, dat duurzaam geproduceerde waterstof op termijn een energiedrager van groot belang wordt. “Voorlopig zijn we nog aangewezen op de productie van waterstof uit aardgas. Daar komt CO2 bij vrij die we vanaf 2023 dankzij het Rotterdamse Porthos-project kunnen opslaan in lege gasvelden op de Noordzee. Op die manier kunnen we de CO2-uitstoot al eerder flink omlaag brengen. Als de ontwikkeling meezit, zal de duurzame productie van waterstof uit groene ­elek­triciteit tegen een acceptabele prijs met behulp van electrolyzers tegen 2030 van de grond komen en zal bij de waterstof­productie geen CO2 meer vrijkomen.”

Hij sluit niet uit, dat de Nederlandse industrie daarnaast ook waterstof per schip zal importeren uit landen waar veel zon en wind is, zodat straks voldoende groene waterstof beschikbaar zal zijn.

Over de toekomst is hij optimistisch gestemd: “Nederland heeft een unieke positie met windparken en lege gasvelden op de Noordzee, zijn havens en pijpleidingnetwerken. Dat stelt de industrie in staat om in 2050 bijna geheel CO2-neutraal te zijn.”

Ook de directeur van het CIEP verwacht dat het met de energietransitie gaat lukken. “We maken nu een forse dip mee, maar voor het bereiken van het doel van een CO2-neutrale economie in 2050 zal dat over de jaren heen niet zoveel uitmaken”, aldus Coby van der Linde.

Meer Shell

Waterstof langs de waterweg

Op het nieuwe land van de Tweede Maasvlakte komt de kraamkamer van de industriële activiteiten in de Rotterdamse haven. Daar, waar de elektriciteit van windmolens op zee aan land komt, gaan waterstoffabrieken gebouwd worden. Shell bouwt mee aan die toekomst.

Thuis in 1890

“Een nieuwe lente en een nieuw geluid”. De eerste dichtregel van Mei van dichter en politicus Herman Gorter, geschreven in 1889, vat het laatste decennium van de negentiende eeuw treffend samen. 

Nieuws

Lees ons laatste nieuws, download onze jaarverslagen en zie hoe u contact kunt opnemen met de persvoorlichters van Shell in Nederland.