Thuis in 1890

Thuis in 1890

“Een nieuwe lente en een nieuw geluid”. De eerste dichtregel van Mei van dichter en politicus Herman Gorter, geschreven in 1889, vat het laatste decennium van de negentiende eeuw treffend samen.

Door Monika Jak op 16 jun. 2020

thuis in 1890
Personeel in de keuken van het woonhuis van Johannes Sandow, eerste secretaris van het Duitse Generaalconsulaat, aan de Sarphatiestraat in Amsterdam, rond 1900.

Gorter behoort tot de ‘Beweging van Tachtig, een groep kunstenaars die zich in het fin-de-siècle wil bevrijden van conventies en betweterigheid. Die vernieuwingsdrang is er op alle fronten. Substantiële drijfveer is woede. Veel groeperingen zijn simpelweg boos. Vrouwen omdat ze kiesrecht willen en recht op scholing. Arbeiders omdat ze meer loon willen en betere werkomstandigheden. Katholieken en protestanten omdat ze hun eigen onderwijs willen. Het komt er allemaal. Vrouwenverenigingen, vakbonden en politieke partijen leggen de basis. Hetzelfde geldt voor de grote, nieuwe technologische systemen – stoom, gas, elektriciteit en telefonie. Het fundament voor de nieuwe tijd ontstaat nu.

Op stoom komen

De negentiende eeuw is ontegenzeggelijk de eeuw van stoom. Het aantal stoommachines neemt na 1850 spectaculair toe. Dat is in het begin vooral goed nieuws voor paarden. Geholpen door de hogere ‘brandstofkosten’ van paarden, haver, hooi en ander krachtvoer, worden paardenmolens als eerste vervangen. Aan het eind van de eeuw is de stoommachine een goedkoper krachtwerktuig dan man en paard en in zo goed als elke tak van nijverheid een trots bezit. De machines worden gekoesterd. Vaak geeft de machinist zijn machine een koosnaampje; meestal die van zijn vrouw. Fabrikanten schermen met stoom in de bedrijfsnamen: stoomwasserij, stoombierbrouwerij, stoombakkerij, stoomsuikerfabriek, stoomblekerij, stoomzagerij en stoomzuivelfabriek. Het is een teken van goede smaak en vooruitstrevendheid. Vaak ook luxe. Neem het niet te versmaden nieuwe wittebrood. Gemaakt van bloem van de stoommeelfabriek. Van de ouderwetse korenmolen komt alleen volkorenmeel.

Stoom drijft de mensen ook de wijde wereld in. Stoomboten worden door de voortschrijdende techniek groter, beter en sneller. De ijzeren romp wordt staal, het rad een schroef. De uitvinding van de stoomturbine in 1883 geeft echt vaart. Al vanaf 1870 kunnen handelsreizigers, landverhuizers en avonturiers de overtocht maken naar Nederlands-Indië, Amerika en Zuid-Amerika. Elkaar helemaal supersnel bereiken, kan aan het eind van de eeuw door de uitvinding van de telefoon. Wel met tussenkomst van een telefoniste.

Thuis in 1890
Interieur van het Openbaar Slachthuis aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht. Op de foto personeel bij de stoommachine voor de koelinstallatie.

Het einde van de negentiende eeuw luidt hoe dan ook het begin van de grootindustrie in. De machinefabriek Gebr. Stork & Co is al enige decennia op stoom. Philips’ Gloeilampenfabriek wordt opgericht in 1891. Een jaar eerder start de Koninklijke. Er komen ‘moderne’ kantoren en het begin van een middenstand. Door de industrialisatie verandert veel. Familiebedrijfjes en allerlei soorten huisnijverheid verdwijnen. In 1899 werken vier van de vijf Nederlanders voor een baas. In 1850 zijn dat er nog maar een op twee. De teloorgang van het kleinbedrijf en de ambachtsman is rond de eeuwwisseling al onderwerp van discussie. Elektriciteit zal uitkomst bieden. De Hanzebode schrijft: “De stoom dreef de menschen naar de fabriek, de electrische strooming zal ze weer eruit drijven naar de eigen werkplaats.”

Verlichte tijden

Wie rond 1900 een avondwandeling maakt wordt, afhankelijk van woonplaats, verlicht door of steenkoolgaslicht van de gemeentelijke gasfabrieken, of elektrische booglampen die werken op basis van koolstaven (elektroden), of petroleumgaslampen. Loop je na een praatje met de lantaarnopsteker de stad uit, ga je de duisternis tegemoet: op het platteland blijft het de hele eeuw pikkedonker. Eenmaal thuis branden kaarsen, olielampen en petroleumlampen. Gaslicht brandt binnen uitsluitend in fabrieken, openbare gebouwen, hotels en cafés en huizen van de bovenklasse. Elektriciteit wordt deze eeuw alleen nog toegepast voor verlichting. Als het wordt ingevoerd zijn het dezelfde sectoren waar het wonder te aanschouwen is. Zoals in de fameuze Wintertuin van Café Krasnapolsky in Amsterdam in 1881. Daar brandde twee jaar eerder nog het gaslicht, maar dat beviel slecht. Binnen de kortste keren tikte de temperatuur in de tuin een tropische dertig graden aan. Elektrisch licht geeft minder hitte, minder brandgevaar, verbruikt geen zuurstof en er komen geen zwavel en stikstof bij vrij. De concurrentiestrijd tussen de gas en elektra duurt nog wel even voort.  Een impuls voor de gasindustrie komt in 1883 in de vorm van het gasgloeikousje. Zonder dat kousje is het licht zwak en gelig. Maar met het netje van metaaloxide, straalt de lamp een krachtiger en witter licht uit. Bovendien is het gasverbruik lager en geeft het minder rook. Door heel Europa ontstaat een bloeiende gloeikousjesindustrie. 

Thuis in 1890
De emaillen pan: superhip

Omstreeks 1890 worden potten en pannen van geëmailleerd ijzer geïntroduceerd. Het is een wonder! Een revolutie in het werk van vrouwen en dienstboden in de keuken. Tot die tijd zijn ze gemaakt van koper of gietijzer. Gietijzer is prima geschikt voor het kolenfornuis maar loodzwaar. En wat te denken van het onderhoud om roest te voorkomen. Laat je zo’n pan vallen, dan kan die direct naar de schroot. Koper heeft nóg meer nadelen: het is kostbaar, giftig, geeft smaak af en je poetst je een ongeluk. Nee, dan email. Duurzamer, hygiënisch, smaakvrij, supermakkelijk in onderhoud, goedkoop én in allerlei kleurtjes verkrijgbaar. Het is het toppunt van hip. Eerst alleen voor de hogere stand, maar tien jaar later gemeengoed, zelfs voor de allerarmsten. Het is zo populair dat ook huishoudelijke apparaten als gas- en elektrische fornuizen, petroleumstellen en koelkasten worden geëmailleerd. De familie Berk in Kampen krijgt in 1893 het octrooi op de techniek van het beroemd geworden grijsgewolkte email. Het handelsmerk bestaat uit een kookketeltje, de letters BK en de tekst ‘giftvrij’. Eén nadeel heeft email wel: anders dan bij gietijzer ontwikkelt zich bij gebruik geen natuurlijk anti-aanbaklaagje. Ook dat komt pas in de volgende eeuw als in 1938 Dupon hiervoor een kunsthars ontwikkelt: teflon.

De binnenboel

Binnenshuis is het ondertussen energietechnisch een ratjetoe. Hout, steenkool en turf voor de kachel, petroleum en gas voor het licht: er is van alles wat, maar niks deugt nog echt. De kachel is de alleskunner en centrum van het huis. Verwarmen, voedsel bereiden, de bout verhitten voor de strijk: alle functies zitten in dat ene apparaat die in die ene ruimte staat. Vaak is er ook maar één kamer. Alleen bij de gegoede burgerij kookt de dienstbode in de keuken van het souterrain, op een groot kolenfornuis. De vrouw des huizes laat zich daar zelden zien. Dienstbodes voor dag en nacht, naaisters en wasvrouwen lopen via de personeelsingang in en uit en houden de boel draaiende. De huisvrouw als markt is nog onontgonnen terrein. De heren ingenieurs richten zich primair op de grootindustriële markt. De eerste huishoudelijke apparaten getuigen ervan: loodzwaar en niet te hanteren. Voor de bediening van de eerste stofzuigers bijvoorbeeld, of beter: stofblazers want zuigen doen ze pas in 1901, zijn er twee nodig. Eentje om de blaasbalg te bedienen en de ander om het mondstuk te bewegen. Alternatief is het inschakelen van een van de stofzuigerdiensten die met mobiele installaties aan huis komen voorrijden. Geüniformeerd personeel trekt door ramen en deuren slangen naar binnen om kamers en meubilair te reinigen. De machine zelf staat buiten te draaien. De buurt klaagt wel steen en been over het lawaai. Vooral eigenaren van paarden; de beesten slaan door de herrie op hol.

Thuis in 1890
Utrechtsestraat, hoek Prinsengracht. Foto: Jacob Olie, juli 1898.

Scharrelaars en snoepcenten

De inwonende dienstmeid, hoewel belabberd gehuisvest in een krap kamertje onder het dak, is nog altijd beter af dan de arbeidersgezinnen die met drommen tegelijk naar de stad trekken voor werk. Tussen 1875 en 1900 verdubbelt de bevolking in de meeste steden. Grote gezinnen zitten samengepakt in kleine, tochtige en vochtige etagewoningen of kelderruimten zonder daglicht. Dat de woningen abominabel zijn, komt door de grote vraag. In noodtempo worden woningen uit de grond gestampt. Revolutiebouw, mede mogelijk gemaakt door de banken die vanaf de jaren zeventig krediethypotheken verstrekken. Doordat vakbekwame bouwers schaars zijn en de overheid zich nog nergens mee bemoeit, figureren er allerlei schuinsmarcheerders op de bouwterreinen. Scharrelaars, koppelbazen en ongeschoolde trekarbeiders werken met goedkope, afgekeurde materialen. Houtsoorten die rap rotten, ondeugdelijke metselspecie, niet doorbakken stenen, te dunne balken, minder heipalen dan ingetekend en verf van water met krijt. Bouwfraude is van alle tijden.

Toch geven arbeiders op hun beurt de voorkeur aan de stad boven het platteland, waar in 1900 de helft van de bevolking woont. Daar heerst nóg meer armoede en hebben misoogsten rampzalige gevolgen. Van een vrolijk en gezellig gezinsleven is nergens nog sprake. Veel tijd voor vertier is er ook niet. Het werk is zwaar en de werktijden liggen tussen de 10 en 14 uur per dag. Zaterdagen niet uitgezonderd. Een kind is een volwassene in zakformaat en werkt vanaf twaalfjarige leeftijd gewoon mee voor de kost. Het loon gaat in de huishoudpot, op een paar ‘snoepcenten’ na. De pot wordt ook gespekt door een bloeiende huisindustrie. Vrouwen wassen, strijken, verstellen kleren, pellen garnalen, verpakken chocolade in zilverpapier, breien, borduren, kantklossen, vlechten matten of draaien sigaren. Ongehuwde meisjes worden winkelbediende, ‘meid’ of dienstbode voor dag en nacht. Van de lonen gaat vooralsnog weinig stimulans uit. Ook niet in fabrieken. Bovendien, de meeste fabrikanten vinden dat een vrouw er niet thuishoort. Aan het begin van de twintigste eeuw werkt een magere 10 procent van de getrouwde vrouwen buitenshuis. Pas vanaf 1900 kruipt het levenspeil van de arbeidersbevolking omhoog.

Thuis in 1890
Lijnbaansgracht, gezien vanaf brug nr. 81 Reguliersgracht naar Vijzelgracht

Meer en schoner volk

Het duurt even, maar dat stijgend peil komt ook voor hygiëne. Er komen collectieve voorzieningen voor drinkwater en afval. Mondjesmaat, dat wel. Rond 1900 beschikt nog maar 40 procent van de Nederlanders over schoon drinkwater. Op sanitair gebied is het tonnenstelsel een forse sprong voorwaarts. Tot halverwege de eeuw is het de gewoonste zaak van de wereld om de behoefte, samen met het andere (slacht)afval, achter te laten in de gracht, de sloot achter of de tuin. Een ideale voedingsbodem voor ziektes en epidemieën. Pokken, tyfus, dysenterie en tuberculose maken vele slachtoffers. Veel mensen kunnen zich de laatste cholera-epidemie uit 1866 nog levendig herinneren. Dit tonnenstelsel verbetert de boel. De volle tonnen worden aan huis geleegd in zijn kar. Dat de stronttonnenloper in aantocht is, kan je ruiken. Amsterdammers noemen het de ‘Boldootkar’, naar het bekende eau-de-colognemerk. Vanaf verzamelpunten buiten de stad wordt het met wisselend succes verkocht als mest aan boeren en tuinders. De strontkar rijdt tot 1934 nog in de Jordaan. De laatste zijn gesignaleerd in 1978, in Zeeland. Wel een blijvertje in de sanitaire sector en in 1900 op de markt gekomen is de wc-rol met afscheurbare velletjes. Tot die tijd was het behelpen met krantenpapier of stro. Door verbeterde hygiëne daalt het sterftecijfer van zuigelingen en jonge kinderen en groeit de bevolking in tien jaar tijd, van 2 miljoen in 1890 naar ruim 5 in 1900. Stimulans voor die groei is dat vaker en vroeger wordt gehuwd. Dan hoef je tenminste ook niet je zuurverdiende loon af te staan aan je ouders. 

Thuis in 1890
Paardentrams op het Van Hogendorpsplein in Rotterdam, met in het midden Museum Boymans/ Schielandshuis.Op de voorgrond de Binnenwegsebrug, links de Coolvest, rechts de Schiedamsevest. Circa 1888 - 1892.

Onderweg naar vooruitgang

Wie dit decennium op pad wil, heeft iets te kiezen. Ga je de provincie uit, neem dan de stoomtrein, waarmee je bijkans elke uithoek van het land bereikt. Of ga aan boord van een stoomboot van een van de vele beurtvaartrederijen, ook geschikt voor vracht en vee. Het netwerk van vaarwegen is zelfs fijnmaziger dan die van het spoor. In de stad stap je in de paardentram. Betaalbaarder dan alternatief de stoomtram, die bovendien geen scherpe bochten kan nemen en rookoverlast geeft. Begin twintigste eeuw wordt die snel ingeruild voor de elektrische. Tot grote opluchting van de mensen die zich groen en geel ergeren aan de hopen paardenmest overal. Door de uitstekende verbindingen via spoor en water, laten ondertussen de vaderlandse wegen te wensen over. Rond 1900 is zo’n 1200 kilometer rijksweg bestraat met gebakken klinkers of Duits basalt, ‘kinderhoofdjes’ genoemd. Pas als de verbrandingsmotor het licht ziet en in 1885 de eerste auto in Nederland is gesignaleerd, wordt het wegenstelsel aangepakt. Eer dat op orde is, zijn we al flink onderweg in de nieuwe eeuw. Op zich geen punt: in 1907 telt Nederland nog geen 1500 autobezitters.

De vrouwenzaal van de fabriek van de firma Koninklijke Tabak- en Sigarenfabriek G. Ribbius Peletier Jr. aan de Oudegracht te Utrecht, rond 1985. [
Alle tijd

Op de vraag hoe laat het is, kan je rond 1900 in Nederland drie antwoorden krijgen. De eerste is de tijd op de torenklok, ingesteld op een lokale zonnewijzer. Niks mis mee, ware het niet dat het in het oosten altijd later is dan in het westen van het land. Reden voor een deel van de Nederlandse gemeenten de tijd van de klok van de Amsterdamse Westertoren tot de enige echte tijd uit te roepen. Omdat de spoorwegen en post- en telegraafdiensten dat onwerkbaar vinden, hanteren die de derde tijd, de West-Europese zoals gemeten door de Royal Observatory van Greenwich. Het blijft nog lang onrustig als het om de juiste tijd gaat in Nederland. Pas in 1909 hakt de regering een knoop door en is de Amsterdamse tijd de nationale standaard. Daarmee loopt de Hollander wel twintig minuten voor op Londen. Er is een bezetter voor nodig om vanaf 1940 in de pas te gaan lopen met de rest van Europa. Na de capitulatie van de Duitsers is de klok nooit meer teruggezet.

Stiptheid van arbeiders wordt overigens door de mechanisatie steeds meer een vereiste. Als de stoommachine eenmaal op stoom is, is het wel zaak dat iedereen in de fabriek op zijn post staat. Best lastig, want klokken en horloges zijn er nauwelijks. Vaak luiden fabrieken een eigen torenklok bij aanvang van de werkdag. Meestal geeft de baas een half uur speling. Geheel terzijde verlopen de maandagen moeizaam omdat een deel van de arbeiders niet komt opdagen, wegens overmatig jenevergebruik op de zondag. 

Meer Shell

Onze geschiedenis

De wortels van Shell in Nederland gaan 130 jaar terug. Sindsdien is de roodgele schelp uitgegroeid tot een wereldspeler in de energiesector. De geschiedenis laat sporen na, waar ook ter wereld. Maar het hoofdkantoor stond toen, net als nu, in Den Haag.

ANNO

Naar mate de jaren verstrijken, worden de beelden steeds meer geschiedenis. Samen illustreren ze een tijdsgewricht.

De geboorte van een wereldspeler

Ook een wereldspeler begint als start-up. Eind negentiende eeuw veroorzaken technologische doorbraken een snelgroeiende vraag naar nieuwe olieproducten zoals petroleum en later benzine en diesel. De pioniers van De Koninklijke spelen met hun nieuwe bedrijf in op die energietransitie. 

Thuis in 1930

Sappelen, steun trekken, de lommerd: op het hoogtepunt van de malaise is een kwart van de beroepsbevolking werkloos. Het betekent een benard bestaan. Toch is in die crisisjaren niet alles kommer en kwel.